boekbespreking van @Carien Overdijk
verschenen in De Volkskrant op 11 april 2008
waardering: vier sterren (van vijf)
Jan-Hendrik Bakker, Welkom in Megapolis. Uitgeverij Atlas, € 19,90
ISBN 978 90 450 0560 7
Zeg niet: ik woon niet in de stad. Ook als u tussen de bomen slechts contouren van andere eengezinswoningen ontwaart, bent u adressant én hoofdpersoon van Welkom in Megapolis. De rijke essaybundel is een meervoudige beschouwing van ons westerse wonen.
De geabstraheerde megastad van dit boek omvat nadrukkelijk ook de buitenwijk. Want wie de demografische stelling aanvaardt dat al meer dan zeventig procent van de Europeanen in de stad woont, moet ook inzien dat de meerderheid van deze ‘stedelingen’ huist in wat auteur Jan-Hendrik Bakker het tussenland noemt, de woonstraten en lanen tussen binnenstad en platteland in.
De overpeinzingen van deze filosoof en literair journalist zijn actueel omdat ons land zich snel ontwikkelt tot één grote buitenwijk. Elke ring met woonstraten wordt omsloten door een nieuwe, en ook wie zich hier nog plattelander waant, leeft allang suburbaan. We werken en winkelen in de periferie van andere bebouwde kommen, maken safari’s en stedentrips, ronden de wereld via televisie en internet. Maar waar zijn we thuis?
De auteur had al wat vingeroefeningen op zijn naam. In 2004 hield hij in Leuven de lezing ‘Adviezen aan de grotestadsmens,’ een scherpe analyse van de homo metropolitanus die als een moderne nomade zijn carrière achterna reist. Vorig jaar won hij met het Tirade-essay ‘Een coyote in de volkstuin’ - over de natuurbeleving van stedelingen - de Jan Hanlo Essayprijs. Beide gedachtengangen komen gerijpter terug in Welkom in Megapolis.
In zijn acht essays is Bakker nooit alleen. Hij loopt op met oude en nieuwe filosofen, laat literaire schrijvers gidsen en maakt uitstapjes naar film en internet. Met zijn vermogen om zorgvuldig en toch direct te formuleren, maakt hij zelfs de ontoegankelijke Heidegger verstaanbaar.
Tot wonen, zo parafraseert hij deze collega van twee generaties terug, zijn alléén mensen in staat. Dieren wonen niet, die kruipen in holen om zich te beschermen. Wonen is bij Heidegger een betekenisvol en duurzaam verband aangaan met de natuurlijke én de culturele (mens, muze, god) omgeving.
Tegenwoordig wordt dat Heideggeriaanse wonen wel als een achterhaald denkbeeld weggezet. Het is immers gebaseerd op het agrarische tijdperk, waarin mensen zich geborgen wisten in de kleine kring van familie en kerk, en verbonden met hun zelfgeproduceerde voedsel en de onvoorspelbare elementen.
De auteur erkent dat Heidegger een provinciaal was, met argwaan jegens techniek en natuurlijk van vóór ons maatschappelijk pluriforme tijdperk. Hij relativeert de Heideggeriaanse kritiek op het moderne leven (ons voedsel verloochent zijn aardse herkomst, de tuin verwordt tot steenvlakte, neonlicht ontneemt ons de nacht, kantoortorens verdringen kathedralen). Want, zegt Bakker, de stedeling kreeg voor al die verliezen ook iets terug: individuele vrijheid en een vorm van openbaarheid die de cultuur stimuleert.
Toch blijft Heideggers visie óók belangrijk, betoogt de auteur, in een meer overdrachtelijke zin. Antropologische studies wijzen uit dat mensen hun identiteit en zekerheid ontlenen aan een specifieke leefomgeving. Zelfs nomaden vinden geborgenheid in hun groep en in een vaste opstelling van hun schaarse, maar unieke bezittingen.
En zo gluurt Heidegger, via Bakker, meewarig het suburbane rijtjeshuis binnen. Waar de stadse openbaarheid gering is en de monotonie groot. En waar iedereen volgens de statistieken na hooguit tien jaar weer vertrekt, om in een vergelijkbare buitenwijk elders te belanden, tussen vreemden.
Forenzend suburbia maakt bovendien deel uit van een wereldwijde paradox, stelt Bakker. ‘Mensen die rijk zijn geworden dankzij het dynamische en kansrijke milieu van de stad (…) gaan nu aan de randen wonen. In de Derde Wereld liggen aan diezelfde randen de krottenwijken waar de armen wachten tot zij zich ín de stad kunnen vestigen.’
Niet minder kritisch beziet Bakker de rijke, centrumminnende kosmopolieten, wier levensstijl ‘een duurzame ontwikkeling van de persoonlijkheid ondergraaft’. Hun eclectische consumentisme in nóg lossere sociale verbanden past bij het neoliberale marktdenken, waarin flexibiliteit voorop staat. Bakker citeert zijn befaamde Duitse tijd- en vakgenoot Sloterdijk (‘kosmopolitisme is het provincialisme van de verwenden’) en wijst erop dat ‘de nieuwe internationale urbanisatie van binnensteden’ een vloed aan slechtbetaalde, onzekere baantjes oplevert in horeca, vervoer en verzorging. ‘De gevolgen zijn soms absurd. Vrouwen moeten hun eigen kinderen achterlaten om (…) in een rijker deel van de wereld te passen op de kinderen van anderen.’
Bovendien knaagt overal internet aan het openbare leven. Online kunnen we alles zien, iedereen ontmoeten. Mentaal zijn we in verschillende werelden tegelijk, en onze identiteit ontlenen we steeds minder aan ‘waar we zijn,’ dan aan ‘wat we doen.’
Ook Bakker ziet – in navolging van sociologen en stedenbouwkundigen – de culturele centrumfunctie van Europese steden uiteenvallen door de ‘centrifugale dynamiek’ van de buitenwijken, die in de VS trouwens al veel verder is. ‘Eindigt de stedelijke beschaving in de vormloosheid van mondiale sprawl (…) met daarin de oude steden als relicten uit een andere tijd?’
De vraag is suggestief, maar niet retorisch. De auteur is er zelf niet uit, hij balanceert op lange ‘enerzijds, anderzijds’-lijnen. De aanhoudende dialectiek irriteert soms, maar verleidt ook steeds tot stellingname. Bijvoorbeeld over de verdiensten van het stadsleven. Want terwijl de klassieke agrariër vredig, maar onbewust ‘gevangen zit’ in de vastigheid en de veiligheid van zijn dorp, leeft de ontwortelde stadsmens bewuster, veelzijdiger, gelaagder, zo erkent Bakker ook. Zonder de steden was trouwens elke materiële en wetenschappelijke vooruitgang onmogelijk geweest.
De acht essays gaan van historisch-filosofische, architectonische en stedenbouwkundige invalshoeken naar pogingen om de mentaliteit en de weerbaarheid van de huidige stadsmens te benaderen. Soms blijft het – de filosofie eigen - bij een vraag. Hoeveel ontworteling kan een mens aan? Wat doen ruimtevaart en Google Earth met ons plaatsbewustzijn? Wat betekent het groen in de stad? En wat heet nog lokaal, nu onze levensstijl inbreuk maakt op levens in de derde wereld en van toekomstige generaties? ‘Er is vrijwel niemand die daarvoor zijn tropische vakantie annuleert.’
Maar vaak ook vindt de belezen Bakker een antwoord bij anderen. Bij de 19e eeuwse filosoof Walter Benjamin, de 20e eeuwse stadsactiviste Jane Jacobs, en bij literatoren als Dos Passos, Kafka en Calvino. Een prachtige duiding van het stadsleven haalt hij uit het gedicht ‘Crossing Brooklyn Ferry’, waarin de Amerikaan Walt Whitman de beleving van zijn dagelijkse pont-overtochtje naar Manhattan deelt met latere generaties, door hen aan te spreken als medepassagiers. Het gedicht roept met lyrische beelden (de rivier in de schemering, de drukte van mensen en schepen) de verbondenheid op tussen grotestadsbewoners die dicht op en langs elkaar leven zonder elkaar te kennen. En die zich, in vluchtig contact en in het besef van deze gedeelde ervaring, wel degelijk thuis kunnen voelen in een metropool.
Het lichte conservatisme van sommige passages in de bundel krijgt een krachtige tegenstem met dit soort referenties. Maar ook rake persoonlijke observaties van de auteur brengen balans. Zo keert Bakker in zijn epiloog terug naar de Rotterdamse agglomeratie van zijn jeugd. Zijn scepsis over ‘de stopverfachtige massa’ van de doorwoekerende rijtjesbouw slaat om in een soort liefdesverklaring als hij inzoemt op de blokkendozenbuurt waar hij opgroeide.
‘Hoe lelijk ik de wijk (…) ook vind, zij is wel mijn wijk.’ Zijn moeder woont er nog, in het verzorgingscentrum. Vanaf haar balkonnetje ziet hij het park waar hij vroeger altijd speelde. Verderop weet hij een ‘tankval’ uit de Duitse bezettingstijd, waar de vader van een vriendje iets mee had. Hoe onooglijk of particulier ook, het zijn dit soort herkenningspunten die als ankers ons wonen mogelijk maken.