Een eenvoudig huis uit de zeventiende of negentiende eeuw gaat veel langer mee dan een na-oorlogse woning. Ook veel moderne openbare gebouwen en bedrijfsgebouwen zijn geen blijvertjes. Kraakwachten zijn steeds vaker de laatste gebruikers. Dan volgt sloop. Gaat ons tijdperk onzichtbaar de geschiedenis in?
.
copyright Carien Overdijk
verschenen in Cobouw oktober 2007
De gemiddelde nieuwbouw is weinig flexibel en ontbeert esthetische en bouwtechnische kwaliteit. Dat vindt de Utrechtse restauratie-architect Leo Wevers, van het bureau Vlaardingerbroek & Wevers. Zijn stem voegt zich bij een bestaand koor van critici van de na-oorlogse buitenwijken, en van Vinexwoningen in het bijzonder. Maar terwijl de meeste critici hun pijlen richten op energiehuishouding, gebouwexterieurs en de openbare ruimte, zoomt Wevers verder in. Met zijn kennis van historische panden ziet hij hoezeer de moderne bouw kwaliteit verwaarloost. Ook van grotere gebouwen.
Meneer Wevers, wat maakt oude gebouwen zoveel beter dan nieuwe?
‘Het zit in drie aspecten. De kwaliteit van de materialen is beter, er zit veel meer vakwerk in en het ontwerp is vaak ook beter.’
Wat is er mis met de bouwmaterialen?
‘Vezelplaat, multiplex, ragdunne stalen profielen, ijzeren spijkers: dat hoort allemaal bij het moderne bouwen en het is niet duurzaam. Eén lekkage en de boel begint te roesten en rotten. Roestend ijzer zet sterk uit, dat veroorzaakt scheuren in het metselwerk. Maar ook platte daken en een overmaat aan glas zijn niet duurzaam, dat reguleert de temperatuur niet goed en levert bovendien zwakke constructies op. Het bitumen voor platte daken vergt ook nog elke vijftien jaar een teerbuurt. Kunststof kozijnen en betonstenen blijven ook niet mooi. Vergelijk dat eens met geglazuurde dakpannen en houten balken, die eeuwen meegaan. Traditionele materialen krijgen een patina, modern materiaal veroudert vaak lelijk.’
En vakwerk?
‘Het metselwerk is grover dan vroeger. De productiedruk maakt het secure metselen met dunne voegen in een mooi kruisverband onmogelijk, laat staan dat er tijd is voor siermetselwerk. Zo gaat het vakmanschap verloren. En iedereen werkt tegenwoordig met kant-en-klare mortel, die je niet op voorraad hoeft te hebben. De traditionele kalkmortel, die de zettingen van een fundering kan opvangen, is te arbeidsintensief geworden. En timmerlieden verwerken het hout vaak te vochtig, met krimpscheuren als gevolg.
En dan deugt het ontwerp vaak ook niet?
‘De flexibiliteit ontbreekt. Ik werk hier in Utrecht in een pand uit 1309. Het heeft een kapconstructie die al zeven eeuwen meegaat. Het is als particulier woonhuis gebouwd, maar het heeft ook gediend als pakhuis, daarna als bedrijfspand met een fabriekje erachter, daarna als winkel. In 1993 is het opgedeeld in appartementen, en op de loft hebben wij ons kantoor. Ik kan me voorstellen dat het ooit weer wordt geheeld tot één stadswoning.’
U hebt het over een kapitaal pand voor de elite.
‘Jawel, maar ook eenvoudige zeventiende en zelfs negentiende-eeuwse stadswoningen zijn veel multifunctioneler dan Vinexwoningen. Kamers-en-suite zijn bijvoorbeeld een beproefd recept: die kun je samenvoegen of opsplitsen. De maten van de ruimtes zijn in oude huizen beter. Maar klassieke bouwstijlen worden nauwelijks meer onderwezen. Een voorgevel ontwerpen met behulp van de gulden snede was een ambacht, dat leren studenten niet meer.’
De Nederlandse bouw is diep gezonken?
‘Er zijn natuurlijk uitzonderingen, soms wordt er wél echt duurzaam gebouwd. En het was vroeger echt niet allemaal beter. Maar ik ben een beetje cynisch, want de meeste huizen worden tegenwoordig gebouwd alsof het auto’s zijn. Het is consumptiebouw voor één generatie. Ons huidige economische model, met zijn korte-termijnoriëntatie, dwingt dat af. Grond, materialen en arbeid zijn zó duur geworden dat je twee- tot driemaal de huidige stichtingsprijs van een nieuwbouwpand nodig hebt om de kwaliteit van vroeger te evenaren. De wil om voor de langere termijn te investeren ontbreekt. Het zit bij opdrachtgevers niet tussen de oren dat er véél meer nodig is om echt iets goeds te maken. En woningkopers hebben dat bewustzijn ook nog niet.’
Herman Hertzberger, oprichter/directeur van HH architects and
urban designers:
‘Het is niet allemaal wegwerparchitectuur’
‘Betonstenen, ja, die zijn me inderdaad tegengevallen. Ze zijn
destijds door de industrie als duurzaam aangeprezen, en ik heb hier geen lab
om verouderingsproeven te doen. Maar dat verhaal over die schuine kappen, dat
is kletskoek. Houten kappen worden nogal eens aangevreten door houtworm of de
boktor. En ze zijn veel duurder, want je moet ze ook nog helemaal isoleren.
Met een schuine kap praat je gewoon over extra vloeroppervlak. Het is geen
alternatief voor een plat dak.
Wevers heeft wel een beetje gelijk. Met de huidige bouwbudgetten
kunnen we de kwaliteit van vroeger niet meer evenaren. Het hangt er ook vanaf
wát je bouwt. Ons bureau ontwerpt veel scholen. Dat is sappelen, een spagaat
tussen het programma van eisen en de kostprijs per vierkante meter. Je komt
dan vanzelf uit op inferieur pleisterwerk, bijvoorbeeld. En met zo’n klein
budget komt je vaak ook uit op hogere onderhoudskosten. Ik heb weleens gezegd:
zo doe ik het niet langer. Maar architecten hebben weinig macht, wij werken in
concurrentie.
Het is ook de tijdgeest. Een houdbaarheidstermijn wordt eigenlijk
nooit meer vastgesteld. We bouwen niet meer voor de eeuwigheid, straks zijn er
weer andere behoeften. Als de educatieve denkbeelden weer veranderen, willen
scholen weer heel andere gebouwen. Het is als met mobieltjes, fototoestellen
en zelfs relaties: we ruilen alles in. Maar als ik de bouwkwaliteit van
bijvoorbeeld nieuwe bibliotheken zie, dan zijn daar kennelijk wél voldoende
middelen voor. Dus niet alles is wegwerparchitectuur.’
Rik van Thiel, directeur stichting Bouwen met staal:
‘Nieuwe staalconstructies kunnen eeuwen mee’
‘Onbeschermd staal is inderdaad niet duurzaam als het buiten
gebruikt wordt, het gaat roesten. Dat is gebleken bij veel gebouwen die begin
vorige eeuw zijn neergezet. Maar tegenwoordig is alle staal voor buitengebruik
verzinkt of gecoat. Dat kan weersinvloeden goed aan en gaat eeuwen mee. Kijk
maar naar het gecoate staal van de Eifeltoren, of van oude stations in
Nederland. En ja, natuurlijk zet staal uit, maar dat kun je opvangen in je
constructie.
De glasgevels die vaak met staal worden gecombineerd, hoeven echt
geen klimaatproblemen te geven. Je kunt de temperatuur bijvoorbeeld regelen
met bouwdeelactivering, installaties in vloeren en wanden. Het
appartementencomplex La Fenêtre in hartje Den Haag is daar een goed voorbeeld
van. De bewoners zijn heel tevreden over het binnenklimaat. Er wordt in
Nederland juist nog veel te weinig innovatief gebouwd!
Staalskeletbouw is overigens niet alleen duurzaam doordat je vrij
indeelbare vloeren kunt maken, maar ook omdat het materiaal altijd weer kan
worden omgesmolten of hergebruikt. Hout gaat uiteindelijk de open haard
in.’
Laurens Elmendorp, directeur VolkerWessels Bouw en
Vastgoed:
‘De hele bedrijfskolom moet op duurzaam koersen’
‘Tot enkele jaren geleden is er inderdaad te weinig aandacht
besteed aan duurzaamheid. Maar dat verandert nu snel. De ontwikkelaars en
bouwers binnen VolkerWessels zijn écht van mindset aan het veranderen.
Daarbij betrekken we ook onze stakeholders: de overheid, onze opdrachtgevers
en zeker ook de gebruikers van onze gebouwen. Het gedrag van de hele kolom is
bepalend voor de duurzaamheid die je behaalt.
Wij willen uitgaan van total cost of ownership in plaats
van alleen maar investeringsgericht te bouwen. Tco is een
langetermijnbenadering die de werkelijke, totale kosten zichtbaar maakt,
verrekend met de restwaarde. Dan blijkt soms dat méér investeren uiteindelijk
tot lagere kosten en een hogere duurzaamheid leidt, zodat een hogere
stichtingsprijs bespreekbaar wordt. Dat geldt met name wanneer wordt
geïnvesteerd in flexibiliteit en multifunctionaliteit.
Als we bijvoorbeeld zorgvastgoed bouwen dan streven we naar
gebouwen die niet gebruiksspecifiek zijn, zoals de meeste bestaande
ziekenhuizen. Geschiktheid voor hergebruik is ook een vorm van duurzaamheid.
En zelfs ons voordelige concept PlusWonen, waarbij keuken en badkamer
weliswaar vaste plaatsen hebben, is niet inflexibel. Alle leidingen zitten in
de hoofdstructuur en in één centrale leidingschacht. Dus die woningen zijn
later heel anders in te delen.’
Hubert-Jan Henket, oprichter/directeur van Henket & partners
Architecten, en van Stichting Docomomo Nederland:
‘Modern en toch duurzaam bouwen kan wél’
‘Wij bouwen inderdaad niet meer voor de eeuwigheid. Dat is ook
niet de intentie van het moderne bouwen. Sinds de industriële revolutie zijn
allerlei vormen van productie steeds kortcyclischer geworden, vanuit de
gedachte dat vooruitgang voortkomt uit permanente innovatie. Gebouwen als
sanatorium Zonnestraal van Duiker zijn dus ook gewoon neergezet als
wegwerpgebouw. Toch hebben wij dat onlangs gerestaureerd. We willen dat ook
díe periode zichtbaar blijft. We realiseren ons tegenwoordig dat je in de
ruimte de historische gelaagdheid moet kunnen zien. Het wordt tijd dat
architecten daar meer rekening mee houden. Ze moeten gebouwen en huizen zo
ontwerpen dat je ze later kunt herbestemmen.
Je zou verwachten dat de duurzaamheidsdiscussie dankzij Al Gore
een grote impuls heeft gekregen, maar in steden als Shanghai zie je juist dat
het nóg verder de verkeerde kant op gaat. Maar Europa gaat nu wel voorop in
het streven naar duurzaamheid. Wanneer iederéén ecologisch schoner gaat
denken, komen er ook economische motieven om in duurzaamheid te
investeren.’
Anders dan bij VolkerWessels, kost het bouwconcern Heijmans
grote moeite om een reactie te geven op de uitspraken van Wevers. Aanvankelijk
reageert de afdeling voorlichting met de mededeling dat de directieleden
Cobouw niet te woord kunnen staan over dit onderwerp. Heijmans wil uitsluitend
communiceren over het bouwproces, aangezien het zich voor de te leveren
kwaliteit volledig afhankelijk acht van haar opdrachtgevers. Op de vraag of
het moderne bouwen met kunststof, glas en staal voldoende kwaliteit heeft, wil
de afdeling voorlichting daarom niet reageren.
Frank Janssen, directeur concerncommunicatie Heijmans
N.V.:
‘De opdrachtgever is leading’
‘Wij hebben het liever over het totale ontwikkelingsproces. Want
vaak speelt de prijs-kwaliteitverhouding een doorslaggevende rol voor de
opdrachtgever, en de opdrachtgever is leading in de keuzes op dat
gebied. Je krijgt daardoor als bouwer niet altijd de gelegenheid om mee te
denken over aspecten van duurzaamheid.
Met het nieuwe Rabobankgebouw, dat momenteel in Utrecht in
aanbouw is, krijgt Heijmans die gelegenheid wel. De Rabobank heeft eisen en
wensen neergelegd op het gebied van duurzaamheid, en daardoor konden wij
uitvoerig de kosten en baten in kaart brengen. Dit is een goed voorbeeld van
hoe het beter kan. Want ja, natuurlijk moet het duurzamer.
Bouwers en uitvoerders moeten aan de voorkant van een project
betrokken worden. Daar richten wij ons op met onze full service
strategie.’