De rol van supervisor bestaat in Nederland al decennia, maar de bijbehorende taken zijn nog altijd niet vastomlijnd. Een supervisor laveert tussen opdrachtgever, architect en kwaliteitsbewakers. Zijn succes staat of valt met zijn persoonlijk gezag, zegt Lodewijk Baljon, landschapsarchitect en ervaren supervisor.
Copyright Carien Overdijk
Verschenen in Oog voor Welstand nummer 9, 2007
‘Je moet welstandscommissies betrekken bij het ontstaan van het stedenbouwkundig plan’, vindt Lodewijk Baljon, landschapsarchitect en meervoudig supervisor van grote stadsrenovatie- en nieuwbouwprojecten. ‘Als de mensen van welstand de afwegingen achter een plan begrijpen, weten ze ook beter hoe ze moeten toetsen.’
In de praktijk komt het vaak voor dat een commissie zonder al te veel voorkennis naar kleine deelprojecten kijkt. ‘Dan heeft de supervisor het gezien, vaak heeft er ook nog een kwaliteitsteam naar gekeken en dan is het dus al tweemaal goedgekeurd’, legt Baljon uit. ‘Wat kan je dan nog met welstand? Wat voor debat heb je dan nog? Tja, dan komt het voor dat de commissie de kont tegen de krib gooit, en dat je een moeizame, eindeloos vertragende discussie moet gaan voeren over bijvoorbeeld de kap aan de achterzijde van een woning.’
Territoriumdrift? ‘Zo mag je het noemen. Juist de marginale toetsing die dan nog mogelijk is, kan ertoe leiden dat een plan te lang blijft bungelen.’
Maar zelfs met een kort lijntje tussen supervisor en welstandscommissie kan er nog een misverstand ontstaan. ‘In Den Bosch ben ik supervisor van twee deelplannen voor de nieuwe woonwijk De Groote Wielen. Daar is géén kwaliteitsteam en praat ik rechtstreeks met de welstandscommissie. We hadden afgesproken om voor elk onderdeel twee rondes te houden, eerst een informatieve en dan de behandeling van de bouwaanvraag.’
Het leek een waterdichte werkwijze, maar toch liepen ze er in een laat stadium bijna mee vast. ‘Ik had in het beeldkwaliteitsplan geschreven dat er natuurlijke gevelmaterialen toegepast zouden worden,’ illustreert Baljon. ‘Ook had ik vastgelegd dat de hoogste delen verbijzonderd mochten worden. Op grond daarvan had ik een ontwerp van een toren met translucente kunststof platen goedgekeurd. Het plan was verder al helemaal akkoord toen dat gedeelte met die kunststof platen rechtstreeks bij de kleine welstandscommissie terecht kwam.’
Daar stokte het proces. ‘Die kleine commissie had toevallig nieuwe leden, die het plan nooit eerder hadden gezien. Zij verlieten zich op de aanduiding natuurlijke materialen en betwijfelden bovendien de duurzaamheid van het materiaal. Ze wezen het ontwerp van die toren af.’
Wat hij als ervaren supervisor maar wil zeggen: het gaat bij de kwalitatieve beoordeling van plannen soms ook mis op kleine, organisatorische punten. ‘In de grote commissie zou die gevelbekleding, na alle eerdere afstemming, geen enkel probleem zijn geweest. Nu moesten we twee mensen, die vanuit hún positie terecht kritisch waren, helemaal opnieuw informeren en overtuigen. Dat is uiteindelijk wel gelukt, maar we hebben veel vertraging opgelopen.’
cultuurhistorie
Het gesprek met Oog vindt plaats op de ruime bovenverdieping van Baljon’s verbouwde bedrijfspand in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam. Met een blik naar buiten heeft de vlot pratende landschapsarchitect zijn bezoeker al bij binnenkomst geattendeerd op de directe omgeving. Zijn hoekpand aan de Cruquiusweg maakt deel uit van een voormalig slachthuizencomplex, wijst hij, culminerend in een rank klokkentorentje aan de achterzijde. ‘Die klok werd geluid om de verkoop van nieuwe partijen vlees aan te kondigen.’ Van de schrale jaren-tachtig bebouwing aan de overkant van de straat acht hij het stadsdeelkantoor Zeeburg, met zijn grauwbetonnen facetgevel, het absolute dieptepunt. Maar zijn gezicht klaart op als hij een gebaar maakt naar twee opvallend decoratieve negentiende-eeuwse pandjes. ‘Mooi he? Die gebouwtjes hebben door hun bijzondere sfeer goede horeca-ondernemers aangetrokken. Zoiets kan de levendigheid van een buurt bepalen.’
Naar verluidt is het zijn antenne voor cultuurhistorie die Baljon onlangs de rol van ontwerper én supervisor opleverde voor het Waalfront, een nieuwe, gezichtsbepalende stadswijk in Nijmegen-west. Tot zijn eigen verrassing koos Nijmegen hém, de outsider. ‘Van de zes voorgeselecteerde ontwerpbureaus was ik de enige met landschapsarchitectuur als achtergrond.’
Baljon heeft intussen genoeg affiniteit ontwikkeld met stedenbouwkunde. Als supervisor is of was hij betrokken bij stadsontwikkeling in Amersfoort, Leidsche Rijn (Utrecht), Delfzijl en Den Bosch.
Zijn leerschool had hij bij de Amsterdamse stadsuitbreiding Nieuw-Sloten. ‘Daar werd ik gevraagd toen het stedenbouwkundig programma van eisen al klaar was. Het project was in gang gezet met mijn voorganger en leermeester Alle Hosper. Hij heeft als eerste een structurele rol voor landschapsarchitectuur in de stadsontwikkeling opgeëist. Voor Nieuw-Sloten ontwierp hij een landschap dat mede de vorm van de gebouwen bepaalde, gedacht vanuit de condities van de plek.’
Van 1990 tot 1997 was Baljon bijna dagelijks in de weer met Nieuw-Sloten. ‘De gemeente zat er met een enorme club bovenop. Aanvankelijk dacht ik dat ík degene was die even langskwam, maar naarmate het project vorderde werd ik steeds meer de centrale figuur, terwijl ik projectleiders en managers zag komen en gaan. Ik werd onderdeel van het gemeentelijk projectteam, bemiddelde tussen de verschillende gemeentelijke afdelingen op alle niveaus, om te voorkomen dat het plan een simpele optelsom werd van allerlei deelbelangetjes.’
Die intensieve werkwijze zou hij zich nu, als bureaudirecteur, niet meer kunnen permitteren. ‘Maar nu ontwerpen we meestal zelf het stedenbouwkundig plan. Dan kan ik mijn eigen mensen aansturen en ben ik vooral de bemiddelaar tussen architecten en projectontwikkelaars.’
vage taakopdracht
De rol van supervisor bestaat in Nederland al zeker tien jaar, maar de bijbehorende taakopdracht is nog altijd niet vastomlijnd. ‘Het is elke keer anders. Soms ontwerp je zelf het masterplan, soms kom je binnen als het ontwerp er al ligt. Ik geef mijn rol zelf vorm, afhankelijk van de situatie. Voor Nieuw-Sloten had ik alleen een mondelinge afspraak over het te besteden aantal uren. Die benoeming was een raadsbesluit, en als adviseur van de wethouder ontleende ik daaraan wel een bepaalde status. Een opdrachtomschrijving heb ik nooit gehad. Ook voor de meeste andere supervisies niet.’
Er zijn wel terugkerende patronen, erkent hij. ‘Op Vinexlocaties word ik vaak ingehuurd om eerst het stedenbouwkundig plan te ontwerpen, en in ons geval omvat dat plan dan ook de openbare ruimte. De supervisie behelst voor mij dan ook altijd de samenhang tussen rood en groen.’
Baljon draagt het liefst zélf de architecten voor. ‘Want die voordracht is sterk gebonden aan de locatie en de aard van het plan. Je moet je afvragen: wat maakt deze architect geschikt voor deze specifieke opgave? Maar soms kan ik helaas alleen beargumenteerd een architect afwijzen. Dan selecteert de projectontwikkelaar de architecten zelf. Die maakt een andere afweging: met die-en-die heb ik vorige keer plezierig samengewerkt.’
gezag
Het succes van een supervisor staat of valt met persoonlijk gezag, stelt de landschapsarchitect. ‘Dat gezag moet je verdienen. De supervisor is het gezicht van het plan, hij verléént het plan zijn autoriteit. Hij moet de gewenste kwaliteit in woorden kunnen vertalen en met dat verhaal zowel de opdrachtgever als de architecten overtuigen. De referentieplaatjes uit een beeldkwaliteitsplan zijn vaak ontoereikend of misleidend.’
Veel kwaliteit valt er te winnen op het grensvlak van het stedenbouwkundig plan en de architectuur, vindt Baljon. ‘De supervisor moet de vragen die daarbij opkomen aanscherpen. En vervolgens moet de architect die problemen onderzoeken, dingen uitproberen. In de discussie daarover heb ik wel een nadeel ten opzichte van bouwkundigen. Die kunnen het potlood van de architect vasthouden, ik niet. Het ontwerp van het Waalfront-masterplan heb ik daarom samen met architect Liesbeth van der Pol gedaan.’
De landschapsarchitect slaat wel figuurlijke paaltjes. ‘In Nieuw-Sloten hebben we bijvoorbeeld een kwaliteitsfonds kunnen instellen. De projectontwikkelaar moest daarin per woning tweeduizend gulden storten voor de verbetering van de overgangen tussen het privédomein en de openbare ruimte. Daarmee had ik een voet tussen de deur. Want dat zogenoemde tuinmuurtjesfonds was niet weg te bezuinigen.’ Erfafscheidingen, dakoverstekken, verhoogde stoepjes bij de huizen in een onderscheidende steensoort: Nieuw-Sloten heeft via het fonds aan kwaliteit gewonnen, vindt Baljon zelf.
Als supervisor stapt hij meestal in een vroeg stadium naar de welstandscommissie. ‘Ik presenteer dan het beeldkwaliteitsplan als een zelfstandig document. De reacties zijn vaak heel behulpzaam: ze vinden bepaalde elementen te vaag, ze waarschuwen me, ze geven tips. Je plan en je aansturing worden er beter van.’
De suggestie dat dit een politieke handelwijze is, een poldersessie vóóraf om later niet teveel weerstand op te roepen, wijst hij van de hand. ‘Het is geen massage. Ik beschouw die sessies als een middel om het bkp te verbeteren en te verfijnen. Er gaan voorbeeldplaatjes uit, we voegen ander beeld toe. We expliciteren waarom er voor rode dakpannen wordt gekozen.’
kwaliteitsteam
Bij een groot plan is er vaak ook een kwaliteitsteam. Wat voegt een welstandscommissie dan nog toe? ‘Een kwaliteitsteam is vaak breed samengesteld, met vertegenwoordigers van projectontwikkelaars en gemeente’, reageert Baljon. ’Hun beoordeling gaat over programmatische kwesties en over bijvoorbeeld duurzaamheid. Welstand kijkt preciezer naar de uitwerking van deelplannen.’
Toch zijn er historische voorbeelden waarin welstand zonder kwaliteitsverlies buitenspel is gezet, zoals bij het fameuze Amsterdamse Plan-zuid. In 1926 zette de toenmalige Commissie Zuid, een kwaliteitsteam avant la lettre, de schoonheidscommissie aan de kant. Heeft Baljon zelf nooit de aanvechting om de welstandstoets te schrappen?
‘Nee, Ik vind het juist goed dat een onafhankelijke club, die uitsluitend het algemeen belang behartigt, mij scherp houdt. Plan-zuid had een heel strakke regie en toetsing, zo werken we nu niet meer. Als supervisor heb ik te maken met aandeelhouders: de gemeente, de projectontwikkelaar. Die kunnen mij behoorlijk onder druk zetten om ergens mee akkoord te gaan. Je maakt in mijn positie onvermijdelijk een beetje vuile handen, je bent kwetsbaarder.’
Baljon maakt graag vooraf afspraken met welstand. ‘Bijvoorbeeld dat zij geen plannen in behandeling nemen die niet door mij zijn goedgekeurd.’ Op de vraag of dat schriftelijk wordt vastgelegd, glimlacht hij. ‘Nee, dat is een soort herenakkoord.’
Ook het mandaat van een kwaliteitsteam ligt niet vast. ‘Je spreekt alleen af welke planfasen je voorlegt. Zo’n kwaliteitsteam heeft bij voorkeur ook iemand van welstand in de gelederen. Die persoon doet verslag aan zijn commissie, en soms komt daar ook weer feedback uit. Welstand kent bijvoorbeeld de bezuinigingsrisico’s van een plan. Ze waarschuwen ons voor de elementen die er in de volgende ronde uit dreigen te vallen.’
Voor een supervisor kan welstand zelfs een steunpilaar zijn. ‘Ik kan ruggespraak houden. En als ik een architect niet verder krijg, dan stel ik voor om zijn plan voor te leggen aan welstand, in een soort informele ronde. Vaak krijgt die architect daar nóg harder de wind van voren! Ik sta dankzij de commissie ook sterker tegenover mijn opdrachtgever. Ik kan zeggen: zó kom ik niet langs welstand.’
Lodewijk Baljon (1956) studeerde cum laude af als landschapsarchitect aan de
Landbouw Universiteit Wageningen. In 1992 promoveerde hij op het proefschrift
Designing Parks, An examination of contemporary approaches to design in
landscape architecture.
Zijn bureau, met tien ontwerpers, neemt zowel openbare als privé-opdrachten
aan, uiteenlopend van onderzoek tot ontwerp. Het won de
Omgevingsarchitectuurprijs en twee ASLA Awards (American Society of
Landscape Architects). De naamgever zelf werkt steeds vaker in de rol van
supervisor bij stedelijke ontwikkelingsprojecten.
Baljon publiceert en geeft regelmatig lezingen over ontwikkelingen in de
landschapsarchitectuur en stedebouw. Sinds 1987 is hij gastdocent aan de
Academie van Bouwkunst in Amsterdam. In 2004 was hij Visiting Design Critic
aan de Harvard Graduate Design School.