Nieuwe, multifunctionele centra buiten de binnensteden worden belangrijker. Het lokale bestuur lijkt ze echter te negeren, zo signaleert het Planbureau voor de Leefomgeving.

 

Stad wordt polycentrische regio

 

verschenen in Binnenlands Bestuur, 25 juni 2010

copyright Carien Overdijk

 

Nederlandse steden vertonen allang niet meer het klassieke beeld van één centrum met daaromheen de buitenwijken, de bedrijventerreinen en de recreatiegebieden. Stedelijke regio’s ontpoppen zich steeds meer tot een ‘mozaïek’ met wisselende bebouwingsconcentraties, nieuwe vormen van functiemenging en nieuwe centra. Hierdoor is het beleidsmatige onderscheid tussen ‘het stadscentrum’ en ‘de periferie’ niet langer houdbaar.

Dat is de belangrijkste conclusie uit de ‘Staat van de Ruimte’, een analyse van veranderingen in het Nederlandse ruimtegebruik die het Planbureau voor de Leefomgeving deze week voor de derde maal publiceert. Het rapport is niet vergelijkbaar met eerdere edities (van 2004 en 2007), omdat elke publicatie een ander thema heeft. Deze derde ‘Staat’ onderzoekt de veranderingen in en rond de Nederlandse steden.

 

funshopgebieden

Stationsgebieden worden in hoog tempo nieuwe centra, met winkels, horeca, kantoren en woningen. Bedrijventerreinen en kantorenlocaties ontwikkelen zich tot heterogene verblijfsgebieden – niet alleen door branchediversificatie, maar ook door de vestiging van horeca, kartbanen, sportscholen en soms zelfs woningen. Ook de zogeheten ‘funshopgebieden’, zoals woonboulevards, aan de oude stadsranden, diversificeren. Hier ontstaan nieuwe vermaaks- en verblijfscentra voor alle woonkernen binnen een stadsregio.

Dorpen die tussen twee grotere steden in liggen, groeien soms uit tot nieuwe woon-werkcentra, vooral wanneer er een goede weg- of spoorverbinding is met de nabije steden (zoals Rijen tussen Breda en Tilburg). Stedelijke buitenwijken, tenslotte, zijn autonome broedplaatsen geworden voor een nieuwe vorm van bedrijvigheid: de kleine zelfstandige met kantoor aan huis.

 

ommeland

De constateringen zijn niet helemaal nieuw. In 2007 vroeg het toen nog zelfstandige Ruimtelijk Planbureau aandacht voor wat zij toen ‘het nieuwe ommeland’ noemde, met als conclusie in de gelijknamige publicatie dat ‘de stad niet meer het vanzelfsprekende brandpunt van het dagelijks leven is’ en ‘dat vormen van stedelijkheid’ ook buiten de stad bestaan. Lag toen echter de nadruk op een deconcentratie van functies, nu ontwaart het planbureau juist veel nieuwe concentraties en functiemenging.

Nederlandse binnensteden ontwikkelen zich in economisch opzicht bovendien anders dan in het buitenland. Financiële en zakelijke dienstverleners vestigen zich er relatief weinig, en ook de werkgelegenheid als geheel kent in de binnensteden slechts een zeer beperkte groei. De binnenstadseconomie beperkt zich in Nederland steeds meer tot de detailhandel en de uitgaanssector, terwijl bewust aangetrokken starters in bijvoorbeeld de creatieve dienstverlening vaak al na enkele jaren verhuizen naar het ommeland, waarschijnlijk omdat vandaaruit meer centra dichtbij én goed bereikbaar zijn. De onderzoekers betwijfelen daarom of een economisch investeringsbeleid specifiek voor ‘de binnenstad’ in Nederland wel effectief is.  

Mobiliteitspatronen bevestigen de hierboven genoemde trends. ‘Alleen voor onderwijs is de stad duidelijk de belangrijkste bestemming buiten de eigen woonplaats. Voor de meeste andere motieven komen kris-krasverplaatsingen tussen verschillende plaatsen in de regio evenveel of meer voor dan verplaatsingen naar de centrale stad.’

 

groene buffers

De onderzoekers adviseren stadsbestuurders om de ‘polycentrische stadsregio’ als uitgangspunt te nemen en hier op stadsregioniveau, met alle betrokken buurgemeenten, een ruimtelijke visie voor te ontwikkelen. Daarbij zouden nieuwe groene bufferzones, met name als ze worden ingericht voor recreatie, de druk op de oude stadsranden beheersbaar kunnen houden. ‘Dan groeien de steden wellicht functioneel aan elkaar, maar zal er morfologisch (lees: visueel) nog steeds een overgang kunnen zijn tussen stad en land.’

De rapporteurs adviseren ook om drukbezochte nieuwe winkelgebieden, zoals Westermaat tussen Almelo en Hengelo of de meubelboulevard op Kanaleneiland in Utrecht, veel nadrukkelijker een eigen gezicht te geven, met veel aandacht voor de kwaliteit van architectuur en openbare ruimte. De Amsterdamse Arena boulevard en Rotterdam Alexander is dat al enigszins in praktijk gebracht, ‘al hoeft het je smaak niet te zijn’, aldus een persoonlijke noot van de auteurs.

 

overgangen

Een punt van zorg achten de onderzoekers de slechte, ‘niet ontworpen’ overgangen tussen de verschillende stedelijke milieus binnen een regio, bijvoorbeeld tussen bedrijventerreinen en later ‘aangegroeide’ woonwijken, maar ook tussen woonkernen en buitenwijken onderling.

Verder in deze nieuwe Staat van de Ruimte onder meer aandacht voor het positieve effect van kleinschalige differentiatie in openbare ruimte (binnenhoven, binnentuinen) en voor de samenhang tussen de stedelijke planologie en het wijkenbeleid.

Het rapport bevat veel voorbeelden, kaartbeelden en statistieken, waarmee ook verschillen tussen de stadsregio’s in Nederland tot hun recht komen. Helaas zijn juist veel economische cijfers gedateerd (ouder dan 2007). De nieuwste economische ontwikkelingen – vertraagd of juist versneld door de crisis – ontbreken daarom.

 

Het rapport De Staat van de ruimte 2010/De herschikking van stedelijk Nederland is te bestellen via www.pbl.nl