De welstandscommissie opdoeken? Alleen nog optrommelen voor grote projecten? Of doorgaan op de oude leest?
Drie weken na het kabinetsbesluit om de onafhankelijke welstandscommissie niet langer verplicht te stellen, zijn vooral grotere gemeenten er nog niet uit. Een steekproef van Oog voor Welstand onder vijf grote en vier kleinere gemeenten geeft een wisselend beeld.
4 tegen opheffing, 2 voor, 3 onbeslist
copyright Carien Overdijk
verschenen in Oog voor Welstand nummer 16, december 2008
Van de ondervraagde grote gemeenten kunnen Tilburg, Apeldoorn en Zoetermeer nog niet zeggen of de welstandscommissie mag blijven. Utrecht weet het wel: het antwoord is ja. Haarlemmermeer weet het ook: nee.
Bij de middelgrote tot kleine gemeenten heerst minder twijfel. Oss (58.000 inwoners), Bussum (31.000) en Hendrik-Ido-Ambacht (25.000) willen hun commissie behouden. Texel (13.000) echter niet.
Viermaal ja, tweemaal nee en drie vraagtekens – valt daar peil op te trekken? Met de argumenten vóór en tegen erbij misschien wel.
De kortste reacties kwamen van Tilburg en Zoetermeer, twee steden die nog moeten besluiten. In Tilburg loopt een pittige politieke discussie. Het college wil eerst de raad horen en zal pas in december met een standpunt komen. In Zoetermeer is van een discussie geen sprake. De Zoetermeerse wethouder Van Domburg houdt echter met alles rekening: ‘De welstandscommissie voert haar taken naar tevredenheid uit. Het zal blijken of wij in de toekomst een ander pad gaan bewandelen.’
Bij de derde grote gemeente met een vraagteken, Apeldoorn, wacht wethouder Jolanda Reitsma-Buitenweg eerst ‘het maatschappelijke debat’ af. ‘Ik hoop dat ook de BNA zich zal laten horen. Ik vind het jammer dat het kabinet hier nu mee komt. Bij ons is het welstandsbeleid sterk in ontwikkeling. Aan de ene kant willen we de regeldruk verminderen en klantvriendelijk met bouwaanvragen omgaan, anderzijds hechten we aan een hoge kwaliteit langs grote openbare ruimtes. We zijn al minder strict geworden. Via gebiedsgerichte criteria in de bestemmingsplannen wordt er veel onder mandaat van een rayonarchitect afgehandeld. Een straatje middenin een woonwijk mag best op een zeven uitkomen.’
Wat Reitsma betreft blijft de Apeldoornse commissie in stand. ‘Onze stedenbouwkundige plannen komen allemaal in een vroeg stadium in de commissie. Die geeft zinnige opmerkingen, waar we iets mee kunnen. En daarna is de discussie ook gesloten. We stellen eenduidige voorwaarden, bijvoorbeeld een standaard dakopbouw voor platte daken in een bepaalde na-oorlogse buurt. De bouwvergunning voor zo’n opbouw wordt automatisch verleend. Wil iemand iets anders, dan kan dat misschien ook, maar dan moet het langs de commissie.’
De wethouder merkt dat het werk van de brede Commissie Ruimtelijke Kwaliteit goed valt. ‘Uit enquêtes onder indieners van bouwaanvragen blijkt dat ook. Ik zie het enthousiasme groeien. Er wordt weinig afgewezen. En sinds kort gaat de commissie voor een nieuw bestemmingsplan met de wijkraad door de betrokken buurten lopen. Dat leidt soms tot opmerkelijke aanpassingen: een wijkraad eiste onlangs een zwaarder welstandsniveau voor een vooroorlogs laantje dan de commissie. Maar het omgekeerde komt ook voor. Ik vind dat uitstekend. Als de commissie er met de bewoners uitkomt, hoeft het stadsbestuur zich er niet mee te bemoeien.’
In navolging van Apeldoorn werkt ook Oss sinds een jaar met een brede Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. De verantwoordelijke wethouder, Jules Iding, noemt het kabinetsbesluit ‘een wonderlijk verhaal.’ ‘Het komt natuurlijk voort uit het advies van de commissie-Wallage, het zou de regeldruk verminderen. Maar regeldruk heeft hier niets mee te maken. Natuurlijk handel je dakkapellen af via het loket, je moet niet op elke slak zout leggen. Ik denk dat de weerstand tegen de commissies vooral te maken heeft met het oude achterkamertjesimago, de vermeende willekeur. Het is een kwestie van goed organiseren. Wij hebben het hele proces openbaar gemaakt, met een regionale verslaggever erbij. Zo zien inwoners dat de commissie hier géén keuringsstation is, maar een stimulans. Voor grotere projecten is er vaak strijd tussen architect en opdrachtgever over het budget. Een groep deskundigen kan overtuigend beargumenteren dat een ontwerp beter gedetailleerd moet worden.’
De kleinere gemeenten Bussum en Hendrik-Ido-Ambacht, ruimtelijk elkaars tegenpolen, hechten ook aan het behoud van hun commissies. Dat lijkt voor het welvarende, monumentale en vergrijzende Bussum weinig verrassend, maar wethouder Arie Gouka wil toch iets kwijt over het kabinetsbesluit. ‘Als ambtenaren de welstandsnota gaan toepassen als onderdeel van een bestemmingsplan, dan neem je als gemeente genoegen met een ondergrens. Wij willen hier de discussie tussen vakgenoten stimuleren om bétere plannen te krijgen. Zonder inmenging van een onafhankelijke commissie haal je zelden een negen. Een goede inpassing van een bouwwerk in zijn omgeving laat zich niet regelen via een bestemmingsplan.’
Opvallender is dat ook het snelgroeiende voormalige scheepsslopersdorp Hendrik-Ido-Ambacht niet snakt naar minder welstandsbeleid. Met slechts een dertigtal bescheiden monumenten, overvleugeld door na-oorlogse rijtjesbouw en een groot, nog lopend Vinexproject, blijkt deze gemeente toch gehecht aan de bestaande werkwijze.
‘We hebben het er in het college nog niet eens over gehad’, zegt wethouder Teunis Stoop. ‘Er zijn zelden klachten over de commissie, het loopt hier goed. Wij participeren in een grote commissie van de Stichting Dorp, Stad & Land, samen met onze buurgemeenten Ridderkerk en Zwijndrecht. Ons gezamenlijke welstandsbeleid richt zich op dijkstructuren, woningtypologieën, maatvoering van gebouwen en van de openbare ruimte. Onze eigen gedelegeerde heeft hier tweewekelijks zitting, dus kleine aanvragen worden lokaal snel afgehandeld. Alleen wat hij afkeurt komt in de grote commissie. Daar gaat het echt niet meer over kozijnen.’
Deze wethouder heeft overigens geen kritiek op het kabinetsbesluit. ‘Ik vind het positief dat het rijk gemeenten meer ruimte geeft. Maar de behoefte aan versoepeling leeft hier niet. Wij hebben een goede, onafhankelijke commissie, die transparant en niet subjectief te werk gaat.’
Haarlemmermeer is, evenals Hendrik-Ido-Ambacht, pas na 1960 verstedelijkt. Maar het is vijftienmaal zo groot in oppervlak, ruim vijfmaal zo groot in inwonertal (140.000), en het telt een karige zestig monumenten. Evenals de nog jongere poldersteden Almere en Lelystad heeft Haarlemmermeer – dat overigens naast de stad Hoofddorp nog een kleine dertig woonkernen telt - ervoor gekozen om grote gebieden welstandsvrij te maken.
‘We lopen een beetje vooruit’, zegt wethouder Michel Bezuijen. ‘We waren al bezig met vereenvoudiging en hebben als college vorig jaar al voorgesteld om ons welstandsbeleid af te schaffen voor bijna negentig procent van onze gebieden. Alleen voor oude dorpskernen, gezichtsbepalende elementen en locaties langs doorgaande wegen als de A4 en de A9 hebben we nog regels.’
Het collegebesluit leidde wel tot een discussie, vertelt de wethouder. ‘Bij de raad is er nog aarzeling, maar zij neemt binnenkort een besluit. Als de raad akkoord gaat, treedt de nieuwe regeling per 1 januari 2009 in werking. De commissie verdwijnt dan. Er zijn al genoeg instrumenten, zoals bestemmingsplannen en beeldkwaliteitsplannen, om de ruimtelijke kwaliteit te verzekeren. En we hebben een stadsarchitect die meekijkt. Dat biedt voldoende waarborg voor kwaliteit.’
Bezuijen noemt de rol van de welstandscommissie ‘vaak verwarrend.’ ‘Dan was een bouwaanvraag het hele traject doorgegaan, en dan zei de commissie: niet zo’n goed idee. En dan moest alles weer opnieuw.’
Het element van ‘peer review’, een collegiaal oordeel dat de kwaliteit verhoogt, herkent de wethouder niet uit de praktijk. ‘Werkt het zo? Mijn ervaring is dat architectenland verdeeld is in stromingen. Wie tot een bepaalde stroming behoort, wijst een andere ontwerpstijl categorisch af. Als architecten elkaars werk willen toetsen, kunnen ze dat onderling prima regelen. Maar formaliseer het niet tot weigeringsgrond voor een bouwvergunning.’
Of juist na-oorlogse groeikernen minder aan welstandsbeleid hechten, valt uit de voorbeelden van Haarlemmermeer, Lelystad en Almere nog niet zomaar op te maken. Wethouder Reitsma, van ‘oudere groeikern’ Apeldoorn, erkent wel dat saaie woonwijken vol middelmatigheid weinig ruimtelijke passie oproepen. ‘Maar bij ons leidt dat juist tot het omgekeerde. Wij willen de kwaliteit van de stad verhogen.’
De gemeente Texel, met een even groot landoppervlak als Haarlemmermeer, maar slechts eentiende van het aantal inwoners, stapte al in 2007 uit de grote commissie die ze met Den Helder deelde. Sindsdien voert een gemeente-ambtenaar met één externe bouwkundige het afgeslankte welstandsbeleid uit. ‘In 2006 was hier een motie om alles welstandsvrij te maken’, vertelt wethouder ruimtelijke ordening Nico Kikkert. ‘De raad ervoer het welstandswerk als betutteling en constateerde dat er tóch lelijke gebouwen in het landschap verrezen. We hebben de burgemeester van Boxtel op bezoek gehad om diens ervaringen met welstandsvrij te horen. In een sessie met de raad kwamen we daarna tot de conclusie dat we wel enige vorm van welstand wilden behouden.’
Sinds september heeft Texel een nieuwe nota, die alléén nog bepalingen bevat voor beschermde dorpsgezichten, monumenten en dorpsranden. ‘Verder maken we momenteel nieuwe bestemmingsplannen voor de buitengebieden’, aldus de wethouder. ‘Voor een bouwvergunning is alleen een ambtelijke toets via het beeldkwaliteitsplan nodig.’
Kikkert noemt de nieuwe werkwijze goedkoper, duidelijker en sneller. ‘Een beeldkwaliteitsplan voor heel Texel is er formeel nog niet, maar vorig jaar hebben we het boek Beeld van Texel laten maken, boordevol foto’s en kaarten. Van ieder gebied zijn de ruimtelijke kenmerken benoemd. Met beeldmanipulatie zijn verbeteringen gesuggereerd. Dat boek biedt voldoende waarborgen.’
Gemeenten zoals Texel, met weinig bouwaanvragen en een tot in detail gedocumenteerde ruimtelijke kwaliteit, lijken met de afschaffing van hun commissie niet zoveel te verliezen. Anders is het misschien met grotere en bouwlustiger gemeenten. ‘De grote steden die hun commissie afschaffen denken misschien: dat kunnen we zelf wel’, denkt wethouder Iding van Oss. ‘Maar het is belangrijk om vreemde ogen te laten meekijken. Ik ben tegen afschaffing. Hoezo mooi Nederland? We krijgen de rekening nog wel gepresenteerd.’