De schone schijn van Vinexwijken


boekbespreking van @Carien Overdijk

verschenen in Binnenlands Bestuur op 23 juni 2006


Han Lörzing, Wiebke Klemm, Miranda van Leeuwen, Suus Soekimin, Vinex! Een morfologische verkenning. Nai Uitgevers met Ruimtelijk Planbureau, 2006.

ISBN 90 5662 475 x € 22,50


Vinexwijken hebben de afgelopen jaren flink onder vuur gelegen. Projectontwikkelaars kregen van politici en particulieren het verwijt niet consumentgericht te bouwen. De wijken zouden een eindeloze herhaling zijn van uniforme rijtjeshuizen in saai groen.

In maart 2006 volgde een alarmerend onderzoek van expertisebureau Bouwkennis. Uit hun enquête blijkt dat veel van de vermaledijde projectontwikkelaars zelf, én makelaars bovendien, nu al verpaupering voorzien in de meeste Vinexwijken. Gebrek aan winkels, speelruimte, parkeergelegenheid en openbaar vervoer zou herstructurering over twintig jaar noodzakelijk maken.

Maar nu is er ook een lofzang. Vier architecten en planologen van het Ruimtelijk Planbureau (RPB) onderzochten het uiterlijk van een selectie Vinexwijken. Het resulterende, fraai uitgevoerde ‘Vinex! Een morfologische verkenning’ eindigt in hoerastemming.


De auteurs roemen de veelzijdigheid in stratenpatronen en architectuur, de onderscheidende waarde van thematisering (bos, water, historie) en de vele gradaties van ruimtelijke ‘stedelijkheid’ binnen de wijken die ze onderzochten. Vinexwijken saai en eentonig? Zíj vinden van niet.

Het onderzoek van het viertal is strikt morfologisch. Hoe zien de wijken eruit en hoe staan ze ruimtelijk in verhouding tot hun wijdere omgeving? De schrijvers kozen er expliciet voor om sociaal-culturele aspecten buiten beschouwing te laten. Over sfeer en leefbaarheid valt in dit boek dus niets te lezen.

Die restrictie maakt het rapport vrij academisch. De studie is gedegen uitgevoerd, maar de opgetogen uitkomst zweeft in het luchtledige. Wat vinden Vinexbewoners zelf eigenlijk?

Die omissie valt het RPB niet helemaal aan te rekenen. Over de beleving van de bewoners is nog weinig bekend. De weinige, oppervlakkige tevredenheidsonderzoekjes blijven meestal steken op het niveau van ‘fijn huis, leuke buren, maar wel weinig parkeerplaatsen.’ Wie net fors heeft geïnvesteerd in een nieuwe woning, benadrukt graag de positieve aspecten om zijn keus te rechtvaardigen.


Een serieuzer minpunt van deze RPB-studie is de selectie van de dertien onderzochte wijken. Die is niet representatief. Grote locaties (meer dan 5000 woningen) zijn met een zevental exemplaren zwaar oververtegenwoordigd, en vier van de dertien wijken zijn ronduit atypisch.

IJburg in Amsterdam is afwijkend vanwege zijn – naar Vinexmaatstaven - uitzonderlijke bouwdichtheid, Nesselande in Rotterdam ondermeer vanwege het grootschalige particuliere opdrachtgeverschap, en de Brabantse wijken Brandevoort (Helmond) en Haverleij (Den Bosch) vanwege hun sterk afwijkende architectuur en structuur. Deze vier buitenbeentjes staan, samen met de Groningse Blauwe Stad en in mindere mate het Leeuwardense Zuiderburen, ver af van de gemiddelde Vinexwijk. En van die gemiddelde wijk telt Nederland er 87.

Zo komen de conclusies van deze studie in een iets ander licht te staan. Zonder die atypische wijken wordt de Nederlandse Vinexoperatie direct een stuk eenvormiger. Wat resteert zijn de bekende uitleggebieden met series grondgebonden eengezinswoningen voor de middenklasse. Kleine tuintjes voor en achter, een groene singel als ruimtelijk element. De grotere wijken hebben in het midden het wijkcentrum met minimaal een buurtsuper, een gezondheidscentrum en een basisschool. Daar, én aan de toegangsweg figureren steevast enkele appartementengebouwen als landmark. Hoezo variatie?


Deze RPB-studie toont weer hoezeer planologen en ontwerpers opgesloten zitten in hun eigen discipline. De geconstateerde differentiatie in bouwstijlen en ontsluitingspatronen is er zeker wel op macroniveau (per wijk en landelijk), maar kan nauwelijks zo ervaren worden door bewoners en bezoekers, voor wie immers de buurt het referentiepunt is.

Een overzichtsfoto aan de binnenzijde van het boekomslag is daarvan ironisch genoeg het bewijs. Een serie roodbakstenen rijtjeshuizen (Almere-Buiten?) strekt zich in minstens negen rijen uit langs zo’n typische Vinex-poldervaart, met kale groenstroken en iele voortuintjes. Op buurtniveau is hier van variatie geen sprake, en de associatie met de – weliswaar armoediger ogende - doorzonwoningen van de jaren zestig dringt zich snel op.

Is de hoofdconclusie dus aanvechtbaar, de studie bevat wel wetenswaardige bevindingen. Zo beargumenteren de auteurs met succes dat de Vinex-architectuur niet alleen hoogwaardig en veelzijdig is, maar ook een nieuwe Nederlandse bouwstijl heeft opgeleverd. Als naam suggereren de auteurs ‘poldermodernisme’ of vernacular. De strakke ontwerpen in baksteen dwingen in het buitenland bewondering af, en schijnen ook huizenkopers goed te bevallen.


Ook signaleren de auteurs een opvallend planologisch kenmerk. Vinexwijken hebben relatief veel semi-openbare ruimte. Die varieert van het aloude doodlopende woonerf tot een nieuw soort binnenhoven, die vaak alleen te voet toegankelijk zijn en soms als gemeenschappelijke ruimte beheerd worden door omwonenden.

De auteurs duiden dit positief, als een tegemoetkoming aan ‘de behoefte aan herkenning, beslotenheid en exclusiviteit’ van bewoners. Neutraal en terloops verwijzen ze naar de waarschuwing voor gated communities die in de media heeft rondgezongen: ‘het is een kwestie van tijd voordat er een hek komt of de poort dichtgaat.’

Het is merkwaardig dat zelfs hier een kritische noot uitblijft. Want juist deze morfologische kenmerken geven voeding aan de kritiek waar dit artikel mee opent. Buitenstaanders hebben in de gemiddelde Vinexwijk niets te zoeken en voelen zich op veel plaatsen al snel een indringer.

Ook de geprezen visuele stedelijkheid van de grotere Vinexwijk is schone schijn. Terwijl de auteurs hierin, mede doordat zulke wijken vaak ver van een stadskern liggen, kansen voor nieuwe kernontwikkeling zien, roept de inrichting, met zijn eenzijdige woningtypologie en gebrek aan bovenwijkse voorzieningen, toch nadrukkelijk het beeld van een slaapsatelliet op. Chiquer dan de uitlegwijken van de jaren zestig, dát wel.