Boekbespreking van @Carien Overdijk
Verschenen in De Volkskrant op 6 juni 2008
Waardering vier sterren (van vijf)
Remco Ensel, Alleen tijdens kantooruren, Uitgeverij Vantilt, 176 pagina’s. € 14,95
ISBN 978 90 77503 89 8
‘Ik begreep dat ook van het schutterig door de samenleving rondstumperen iets schoons te maken is’, zei Aart van der Leeuw – aldus zijn biografie - na het zien van een Chaplinfilm. In 1930, vlak voor zijn dood, publiceerde deze voormalige verzekeringsambtenaar de novelle De opdracht en de roman De Kleine Rudolf, waarin hij kantoorarbeid neerzette als een grauwe gevangenschap.
Van der Leeuw was zijn eigen kantoor overigens al jong ontvlucht. De onlangs overleden schrijver J.J.Voskuil behoort tot de weinige auteurs die zo’n zelfbeleden kwelling doorstonden tot aan hun pensioen. ‘Ik moet me elke dag de rotzakken van het lijf houden’, zo typeert Voskuils alter ego Maarten Koning zijn decennialange martelgang als wetenschappelijk ambtenaar bij Het Bureau.
De kunsten en het kantoor, het zijn twee cirkels die elkaar zelden raken. Maar als ze dat doen, dan knettert het. De Nijmeegse cultuurhistoricus Remco Ensel heeft in Alleen tijdens kantooruren een schitterende collectie kantoorscènes bijeengebracht. Citaten uit literaire fictie en films vormen de hoofdmoot, maar er zijn ook dichtregels, een raptekst, een cartoon en een paar juweeltjes uit fotografie en schilderkunst. Daarnaast put de auteur uit sociologische en antropologische analyses van het kantoorbestaan.
Ensel weet verbluffend compact en soepel te vertellen waar kantoren vandaan komen en hoe ze de molochs zijn geworden die wij kennen. Hij lardeert dit relaas zo prikkelend met voorbeelden uit zijn artistieke en wetenschappelijke bronnen, dat zelfs de verstokte boekenwurm of filmverslaafde zich zal betrappen op de reflex: dat moet ik lezen, die film wil ik zien.
Het woord vervreemding staat centraal. De cultuurwetenschapper beschrijft hoe de mechanisering en de bureaucratisering van het witteboordenwerk de organisation man heeft voortgebracht, de vlijtige horige die kon ontaarden in een eenzame frustraat, een gedepersonaliseerde carrièrejager of zelfs een nazi-handlanger.
Van die karikaturale figuren zelf zijn – hoe zou het ook – geen artistieke reflecties op hun werkende leven bekend. Het fictieve kantoorleed komt altijd tot ons via hun ondergeschikten of via buitenstaanders.
Een voorbehoud was daarom wel op zijn plaats geweest. Kantoorkunst ontspruit per definitie aan geesten van mensen die niet in kantoren passen. De verbeelde lijdensweg is daarom niet universeel, net zo min als bazen altijd de eendimensionale hufters zijn die hun portretten ons voorschotelen. Zelfs meesterwaarnemer Voskuil, die het tegen zijn zin nog tot afdelingschef schopte, bleek achteraf een wel erg particuliere werkelijkheid te hebben geschilderd.
Wel is zeker dat elke kantoorhiërarchie bepaalde individuen klem zet en ongelukkig maakt. Elke weergave van die beleving kan fungeren als een troostrijke en vaak ook komische spiegel.
Alleen tijdens kantooruren plaatst die spiegels in een context. Cultuurhistoricus Ensel analyseert hoe kantoorslachtoffers hun knechting in fictie pareren met ontsnappingsfantasieën en met een vorm van magisch realisme. Dat gaat van ‘De schrijfmachine mijmert gekkepraat’ uit Nijhoffs Awater en de klerk die een kever wordt in Kafka’s Die Verwandlung, tot de secretaresse die haar chef vergiftigt in de film Nine to five (1980) en een surrealistische kantooretage in de film Being John Malkovich (1999). Ook bij de schrijvers Gogol, Lewis, Nescio, Elsschot en Alberts, en in oudere films zoals The Bad Sleep Well (1960) en Il Posto (1961) vindt Ensel fraaie voorbeelden van vervorming en escapisme.
Eeuwen kantoorellende glijden voorbij, vanaf de eerste priesterklerken via Dickensiaanse pennenlikkerij naar de efficiencymanie ten tijde van de eerste wolkenkrabbers, om uiteindelijk uit te komen bij de geprikklokte overregulering van de moderne tijd.
Ensel constateert dat kantoorwerk de eerste arbeidsvorm was die een harde scheidslijn aanbracht tussen openbaar en privé. Maar hij ziet nóg een breuk, aan de hand van vergaderscènes uit de literatuur. ‘Van de oplettende deelnemer wordt verwacht dat hij rechtop zit met het lichaam tegen de vergadertafel gedrukt (…)Als je maar doet alsof, is het goed. Nee, sterker, het is een vereiste van het kantoorregiem. Lichaam en geest worden van elkaar gescheiden.’
Foto’s uit het Amerikaanse boek Scientific Office Management (1917) tonen hoe verstikkend het klimaat op sommige kantoren geweest moet zijn. Het bizarre toppunt zijn de arrangementen van potloodstompjes en gumresten, door een ijverige chef uit de prullenbak gevist en straf in het gelid tentoongesteld, met vermanende bijschriften over de restwaarde van deze bedrijfsgoederen.
De studie biedt een panorama van verkilling, onderdrukking en radicaal klassenbewustzijn. Het Westen loopt hierin voorop, maar andere werelddelen volgen, zo blijkt uit uitstapjes naar een later Japan, Peru en India.
Sommige kantoorthema’s blijken – in werkelijkheid én fictie - tijdloos. Naast vervreemding en gevangenschap geldt dat ook de spanning tussen de seksen. De historicus Ensel beschrijft hoe papierwerk de man heeft gedomesticeerd en gedeseksualiseerd, en hoe de old boys circuits dit met opgeklopte heldenverhalen dienen te compenseren. Tv-series als Debiteuren, crediteuren en The Office, en films als Glengarry Glen Ross (1982) en Fight Club (1999) onderbouwen deze observaties.
Goed beargumenteerd is ook Ensels stelling dat die mannelijke geldingsdrang op kantoor een barrière opwerpt voor vrouwen. ‘Blending in als een kameleon’, is volgens de auteur ‘de prijs die vrouwen betalen’ om mee te mogen doen. Want de all-male toplaag in bedrijven, met zijn sigaren, golfrituelen en ‘pisbakkenoverleg’ verliest zijn glans als een vrouw de buddysfeer doorbreekt. Ensel haalt genderstudies aan die uitwijzen dat mannen door een carrière hun mannelijkheid versterken, terwijl vrouwen die meedingen op de apenrots hun vrouwelijkheid juist dreigen te verliezen. Deze paradox overbrugt eeuwen, zo blijkt uit begeleidende fragmenten van damesromans uit het voorlaatste fin-de-siècle.
In de loop der jaren is het kantoorlandschap natuurlijk ook veranderd. De bullebak, die vanaf een podium zijn klerken – waaronder Nescio – onder permanent toezicht hield, is onderhand wel uitgestorven. Toch kent ook het digitale kantoor zijn dramatiek. Bij Ensel staat het te kijk in de cynische kantoorstrip Dilbert van de Amerikaan Scott Adams en in vervreemdende foto’s van diens landgenoot John Pilson.
De jongste tijd komt er in deze goed gedocumenteerde studie wel wat bekaaid vanaf, maar dat is de auteur nauwelijks aan te rekenen. Eigentijdse chroniqueurs van het kaliber Kafka of Voskuil hebben zich nog niet geopenbaard. Het wachten is op de eerste mislukte manager die zijn ondergang door een roedel assertieve trainees van zich afschrijft.