‘Het gebouw staat als een Chinese muur tussen de oude binnenstad en het Eemplein’

Stadsarchitect Noud de Vreeze over een nieuw rijkskantoor in Amersfoort

 

copyright Carien Overdijk

onder de kop Plaats Rijksdienstgebouw was gevoelig verschenen in Smaak, juni 2009, een special over het nieuwe gebouw van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

 

Het is de week voor de opening van de nieuwe Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Het voorplein, waar het waterbassin moet komen, staat nog vol bouwketen. Dieselmotoren dreunen, bouwvakkers lopen af en aan. Achter de glasgevel zijn schilders bezig. Maar de buitenzijde van het gebouw is af en presenteert zich naar alle kanten.

Gezien vanaf het Amersfoortse Stadhuisplein en vanuit het Neorenaissance-monument Sint Pieters- en Blokland Gasthuis (nu een verzorgingshuis), steken de contouren in een ijl zeegroen uit boven het hardere lentegroen van de tussengelegen graszoom met bomen. Ooit flankeerde dit wat verwaarloosde wandelgebiedje met de prestigieuze naam Zocherplantsoen een – alweer lang geleden gedempte - singel. Het krijgt nog een opknapbeurt en zal volgens een ontwerp van landschapsarchitect Ank Bleeker worden aangesloten op het voorplein.

 

gevoelig

Toen Noud de Vreeze afgelopen najaar aantrad als Amersfoorts stadsarchitect, was de locatie van het Erfgoedgebouw, dicht tegen de binnenstad aan, al jaren een voldongen feit. In het coördinatieplan Centraal Stadsgebied Noord (1999) van Rein Geurtsen was op dit vrijgekomen industrieterrein langs het spoor een bouwenvelop gemarkeerd voor een kantoorfunctie. Naar het zuidwesten toe, tot aan het station, waren de voorgaande jaren al veel kantoren ontwikkeld. Aansluitend daarop zou dit terrein zich, als enige resterende locatie aan de binnenstadzijde, nog lenen voor een groot kantoorpand.

Het stadsbestuur besefte terdege dat het een gevoelige locatie betrof, en was bijzonder content toen de Rijksgebouwendienst de kavel in 2000 opnam in zijn selectie voor het programma ‘voorbeeldige architectuur.’ De hier te huisvesten Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zou haar werkterrein – verbeeld immers in de oude stadskern - pal voor de deur aantreffen. De gemeente was actief betrokken bij de selectie van de architect en gunde hem vervolgens graag de vrijheid om zonder beeldkwaliteitsplan te ontwerpen. ‘Grensverleggende architectuur’ was ook voor de gemeente het oogmerk.

De Vreeze heeft echter gemengde gevoelens bij het resultaat. Wat hem betreft is vooral de inpassing van het gebouw controversieel. Als onafhankelijk adviseur over de ruimtelijke kwaliteit van de stad acht hij het gebouw zelfs een ‘desastreuze barrière,’ zoals hij schrijft in zijn eerste Amersfoortse publicatie, het ABC van de Stadsarchitect van Amersfoort. In dit boekje heeft hij eind 2008 zijn visie, ambities en rolopvatting verwoord.

 

kracht

Op locatie wil de stadsarchitect zijn dramatisch gekozen bewoordingen graag toelichten. ‘Kijk, het gebouw staat als een Chinese muur tussen de oude binnenstad en het Eemplein, het beoogde nieuwe stadshart aan de andere zijde van het spoor. Daar maak ik me zorgen over. Het nieuwe centrum zal zijn kracht moeten ontlenen aan de nabijheid van het oude. Het heeft een goede verbinding daarmee nodig om tot ontwikkeling te komen.’

De kans op een sterke aansluiting van het nieuwe centrum was er oorspronkelijk wel, meent De Vreeze. ‘In de eerste plannen van Baldeweg was de begane grond gedeeltelijk open. Natuurlijk moet je daarna nog het spoor kruisen, maar dat was oplosbaar geweest. Nu het maaiveld is dichtgebouwd, is die kans verkeken.’

We staan bij de verbinding die er ter rechterzijde wél is, de langzaamverkeerroute die vanaf het Kleine Spui via een tunneltje onder het spoor duikt en die daarna langs de Eemhaven en het toekomstige Eemplein voert. ‘Zie je hoe smal dit is?’, wijst De Vreeze. ‘Dit is toch geen logische verbinding tussen twee delen van een stadscentrum?’

Amersfoort is in het recente verleden ‘nogal slordig omgesprongen met de samenhang in de stadsplattegrond,’ vindt de stadsarchitect. ‘Er is steeds op projectniveau gewerkt, waarbij het ene besluit aan het andere werd geregen. Voor het RACM, zoals het toen heette, schijnen verschillende locaties overwogen te zijn. Dan begrijp ik de keus niet voor deze kwetsbare plek, pal tegen de fijnmazige binnenstad aan. Het had ook aan de andere kant van het spoor gekund.’

Met een blik op de vijftiende-eeuwse Koppelpoort, het beeldmerk van Amersfoort: ‘Die grote glazen gevel trekt zich toch weinig aan van de kleinschalige omgeving? Het gebouw verhoudt zich niet tot de Koppelpoort.’

Gezien vanaf het Kleine Spui rijst het gebouw inderdaad in zijn volle omvang op, hier zelfs ook driedimensionaal. De zijkant, waar kunstcentrum KadE, met een grand café en een buitenterras haar intrek zal nemen, is goed zichtbaar. Toch lijken de lichte, reflecterende gevels aan deze kant, samen met de terugwijkende vorm, het volume ook direct weer te reduceren. De stadsarchitect schokschoudert slechts bij deze suggestie.

 

proporties

Het is niet de moderniteit die De Vreeze dwars zit. ‘Contrasteren mag best, als het maar op de goede plek en in de juiste proporties gebeurt. Het gaat erom hoe een gebouw zich in de stad gedraagt. Ik zie dit helaas als een moloch, die dit gebied blokkeert voor de komende decennia. We zullen misschien moeten kijken of we deze langzaamverkeersverbinding kunnen verbreden.’

Een goede aansluiting ter linkerzijde van het gebouw is ook lastig, vervolgt hij. ‘Daar loopt de ringweg onder het spoor door. Ook daar moeten we met de gemeente nu wel naar gaan kijken.’

Kan dit – al voor zijn voltooiing meermalen gelauwerde – project dan helemaal geen goedkeuring vinden bij Amersfoorts nieuwe ruimtelijke geweten? Enige mildheid schemert nu wel door. ‘Het is een interessant ontwerp’, zegt hij welgemeend als we onze weg zoeken door het zand voor de beluifelde entree. Zuiver op zichzelf beoordeeld kan het een icoon worden voor de stad, is hij zelfs bereid te erkennen. ‘Het gebouw mag er zijn. En de komst van deze rijksfunctie naar Amersfoort is voor de stad natuurlijk een grote aanwinst.’

We lopen terug naar het Stadhuis, door het Zocherplantsoen (waarvan nou net dit deel níet van Zocher is, maar van diens oudere vakgenoot Hendrik van Lunteren). ‘Hier moet nog veel gebeuren’, constateert de beroepskijker, fronsend naar het rommelige groen. Hij is er niet gerust op. ‘De uitvoering van een deel van het groenontwerp is door bezuinigingen uitgesteld. En je ziet hoe kleinschalig het allemaal is. Jammer dat het voorplein nog niet klaar is voor de officiële opening.’

 

protesten

Barrière of niet, onmiskenbaar kan het majestueuze gebouw nu al op meer waardering van de bevolking rekenen dan zijn kleinere Amersfoortse voorganger aan de Kerkstraat, hartje binnenstad. Deze omstreden behuizing van de voormalige Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (later gefuseerd tot RACM) is een structuralistisch ontwerp (1976) van Abel Cahen. Het werd aanvankelijk tegengehouden door protesten van omwonenden en later ook door financiële tekorten, maar het is tussen 1985 en 1988 tenslotte toch gebouwd.

Met zijn grote ramen, betonstenen gevel en hoekige uiterlijk vond het ontwerp van Cahen, hoezeer ook opgedeeld in segmenten om aan te sluiten op de omliggende bebouwing, nooit genade bij de buurtbewoners. Na voltooiing is het meermalen door Amersfoorters uitgeroepen tot het lelijkste gebouw van de stad. Nu het betreffende onderdeel van de rijksdienst naar het Smallepad verhuist om ook fysiek te fuseren met de collega’s uit Zeist, wacht het gebouw aan de Kerkstraat nog tevergeefs op nieuwe gebruikers.

Jegens het aanzienlijk grotere Erfgoedgebouw aan het Smallepad is protest uitgebleven. Over het aanvankelijke volume is politiek wel discussie geweest, met diverse aanpassingen als gevolg. De bouwdiepte is vijf meter teruggebracht naar de spoorzijde, en om iets meer afstand tot het naastgelegen Trafogebouw van Ben van Berkel te creëren is het ontwerp aan de linkerzijde een paar traveeën ingekort.

 

stepping stone

De punten waartegen De Vreeze vanuit stedenbouwkundig oogpunt bezwaar heeft, zijn in de stad zelf echter destijds juist als positief gekenschetst. Aan de Eemzijde is slechts een minimale verkleining doorgevoerd, omdat de gemeente de publieksfuncties van KadE en het horecaterras juist als een soort stepping stone in de looproute tussen het oude centrum en het toekomstige Eemplein wilde positioneren. De plaatselijke welstandscommissie en de monumentencommissie oordeelden bovendien dat de historische omgeving het gebouw wel degelijk goed verdraagt. Van de inwoners is nauwelijks een onvertogen woord vernomen.

De Vreeze vermoedt dat er weinig kritiek is geweest omdat niemand persoonlijk ‘last heeft’ van het gebouw. ‘Er zijn weinig directe omwonenden, het sluit richting het station aan op een kantooromgeving en aan de achterzijde moet alles nog gebouwd worden. Dan geeft het natuurlijk betrekkelijk weinig aanstoot.’

 

echo

Als de verslaggever na afloop van het gesprek de wijde omtrek verkent, constateert ze dat het gebouw voor de inwoners een baken kan worden. In de naastgelegen wijken De Koppel en De Kruiskamp steekt het lichtgetinte profiel van de glazen gevel op veel plaatsen goed zichtbaar uit boven de oudere bebouwing.

Vanaf het spoor gezien is er bovendien een opvallende parallel. De twee brede geveldelen die met hun rode, gebakken kleitegels het glazen middendeel omsluiten, vormen in kleur en materie een – weliswaar sterk vergrote – echo van de naastgelegen oude stadspoort.

Vanaf het braakland aan de andere kant van het spoor, waar het nieuwe stadshart is geprojecteerd, oogt de brede, gesloten achterzijde nu nog wel heel massief. De bebouwing van het toekomstige Eemplein kan hier misschien tot nuancering leiden.