Landschap ontwerpen is een maatschappelijk beroep, benadrukt Maike van Stiphout, directeur/oprichter van het Amsterdamse DS Landschapsarchitecten. Mensen moeten het er minstens honderd jaar mee doen. ‘Een landschapsontwerp is geen decor, het moet nut hebben.’

Weerbaar landschap


verschenen in Oog voor Welstand nr.17 , maart 2009

copyright Carien Overdijk



Maike van Stiphout (1964) is landschapsarchitect (LU Wageningen, MA). Ze studeerde af op een strategie voor de vormgeving van geluidsschermen langs snelwegen. In 1993 richtte ze met Bruno Doedens het bureau DS Landschapsarchitecten op. Sinds 2005 is zij enig directeur.

Vakmatig richt ze zich tegenwoordig vooral op landschappelijke mediation en supervisie van projecten. Ze is regelmatig jurylid voor gerenommeerde prijsvragen, lid van de programmaraad van Arcam en lid van de commissie ASMAL van de Raad voor Cultuur.


In elke welstandscommissie tenminste één lid dat over gemeentegrenzen heenkijkt. Iemand die het provinciale landschap kent, die getraind is om vorm, functie én sfeer van het landschap te beoordelen vanuit de cultuurhistorie. Dit wenst zich Maike van Stiphout, directeur/oprichter van het Amsterdamse DS Landschapsarchitecten. De gedachte is ingegeven door de integrale ontwerpbenadering die ze met haar bureau voorstaat.

“Er wordt in Nederland slordig met ruimte omgegaan. Infrastructuur en bedrijfsterreinen worden sectoraal aangepakt, waardoor land onnodig braak ligt of versnipperd raakt, en waardoor samenhang met de omgeving ontbreekt. Zeker nu we zo vaak kampen met ruimteschaarste moeten we veel zuiniger zijn. We moeten harder nadenken over de combinatie van functies. En over de sfeer die een gebied moet uitstralen.”


thema doorzetten

Bedrijventerreinen hoeven geen no-go areas of grauwe, troosteloze plekken te zijn, vindt Van Stiphout. “Je kunt bijvoorbeeld een aangrenzend rietlandschap als thema op een bedrijventerrein doorzetten, er een wandelpad doorheen leggen. Dat hoeft niet veel extra geld te kosten, en het maakt de natuur er meteen een stuk duurzamer. De werknemers die er tussen de middag hun broodje eten, genieten er trouwens ook van.”

Net als in het ontwerp van een huis, kun je in elk landschap verschillende functies integreren, betoogt Van Stiphout. “Een landschapsontwerp moet geen decor zijn, maar nut hebben. Rondom de nieuwe Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in Amsterdam-west hebben we geen plantsoen aangelegd, maar met kalksteen een duinachtige biotoop gemaakt, met een knipoog naar de waterleidingduinen waar het drinkwater van Amsterdam vandaan komt. Er zijn poelen gemaakt, er zijn dennen, duindoorns en vlinderstruiken aangeplant. Al binnen twee jaar werd het een soort ecologische oase, met kleine zoogdieren, vogels, insecten en vlinders.”

Dat haar eigen multidisciplinaire bureau zich heeft genesteld op de betonvloer van een voormalige parkeergarage middenin Amsterdam is misschien wel symbolisch. Boven het schreeuwerige logo van een autoverhuurbedrijf aan de Overtoom heeft DS, evenals enkele andere creatieve bedrijven, een ruime plek gevonden voor zijn tekentafels. Behalve landschapsontwerpers werken er bij DS diverse groen-ingenieurs, een ecoloog, een museoloog, een kunsthistoricus, een architect, productontwerpers en een grafisch ontwerper. “Fijne werkplek”, beaamt Van Stiphout, terwijl ze vanaf een zonovergoten vergadertafel de grote werkruimte overziet.


logisch

“Wij hebben een maatschappelijk beroep, we maken ruimte die bestemd is voor veel mensen, en die minstens honderd jaar mee moet. Onze basisgedachte is daarom dat een landschap er door ons ontwerp op vooruit moet gaan. Dat kan alleen als je de complete setting van een gebied in ogenschouw neemt.”

Een landschappelijk kader voor een woonwijk maakt de ontwerpster dan ook het liefst vóórdat het aantal woningen vaststaat. “In Voorst hebben we een wijkontwerp gemaakt voor maximaal tweehonderdvijftig woningen, terwijl de gemeente had ingeschat dat de locatie er vierhonderd kon hebben. Maar daarmee hebben we wel een aantal problemen opgelost. Er is een logische aansluiting gemaakt op de aangrenzende landgoederen, er is wateropvang toegevoegd, de biotoop van de knoflookpad is gewaarborgd.”

Gemeenten kunnen extra woonkwaliteit halen uit het landschap, betoogt Van Stiphout. “Voorst doet dat op deze manier. Ze willen bewust anders bouwen dan Deventer, geen doorstroomgemeente zijn.”

Er zijn echter meer redenen om vanuit het landschap naar bouwplannen te kijken, vindt de ontwerpster. “Vormgeving is maar één aspect. Het idee van groene vingers, zoals de Amstelscheg die tot aan de Stopera in Amsterdam reikt, is een erkende, maar nog te beperkte gedachte. Wij zoeken naar landschappelijke dragers die een gebied weerbaar en duurzaam maken. Dat moet ook wel, want de ruimteclaims worden steeds harder, en de flora- en faunawetgeving strenger. We gebruiken daarbij veel importkennis en werken vaak in een regisseursrol, ook ten opzichte van architecten.”


bos en duin

Een recente opdracht van een projectontwikkelaar, voor Park Brederode in Bloemendaal, is daarvan een goed voorbeeld, vindt Van Stiphout. “Door de provincie was het gebied aan de projectontwikkelaar verkocht met een bestemming voor 650 woningen. Het ging om vijfendertig hectare bos en duin rondom een voormalig psychiatrisch ziekenhuis, van oudsher omheind door hekken. Een gevoelig gebied, deels een oud landschapsontwerp van Zocher en met de ruïne van Brederode als buur. Wij zijn begonnen met de interpretatie van ecologisch, hydrologisch, archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek, samen met de betreffende onderzoekers. Zo kwamen we uiteindelijk tot een nieuw ontwerp waarin drie parallelle zones, die daar oorspronkelijk al waren, mooi op elkaar aansluiten: een jonge duinenrij, een open, drassig grasland ter hoogte van de ruïne en tenslotte de dorpsrand van Santpoort, waar vroeger oude buitens stonden.”


gemeentegrens

Dat ‘stevige’ ontwerp, aldus Van Stiphout, in combinatie met economische afwegingen, overtuigde de projectontwikkelaar dat er maximaal driehonderdtwintig woningen in dit ontwerp pasten. “Deels in het oude hoofdgebouw, deels in de vorm van nieuwe duinwoningen langs de dorpsrand. De huizen moeten als boomgroepen in het landschap staan, een spel met hoogteverschillen en doorkijkjes.”

Het nieuwe plan zal volgens de ontwerpster resulteren in een rijkere ecologie en de aanwinst van een flink stuk openbaar groen voor de gemeente: zeventien hectare wandelpark. Het Landschap Noord-Holland heeft al interesse getoond in het beheer.

Bijzonder is, dat het project in tweede instantie de gemeentegrens passeerde. Een tweede projectontwikkelaar sloot halverwege het project aan met een soortgelijke opdracht voor een aangrenzend terrein van vijf hectare in Velzen. “De gemeente Velzen had geëist dat ze ons daarvoor zouden inschakelen, met ook dezelfde hydroloog en ecoloog als voor Brederode. Zo konden we ons onderzoek verder uitbreiden en een vloeiende overgang ontwerpen.”

Terwijl landschappen zich zelden tot gemeentegrenzen beperken, kreeg Van Stiphout nooit eerder zo’n complementaire opdracht. Ook daarom zou een provinciaal welstandsoordeel haar welkom zijn.


mondig

De ideeën en de aanpak voor de beide gebieden mochten deugen, de uitvoering werd er niet vanzelf makkelijker op. “Er was vanaf het begin veel weerstand van omwonenden, die in dit welgestelde milieu natuurlijk heel mondig zijn. Ik ben veel met groepen bewoners het gebied in geweest, heb ze laten zien hoeveel wandelgebied ze erbij krijgen. En bij de start mochten mensen binnenlopen in het atelier. Sommigen zijn met de planvorming meegegroeid, anderen hebben juist de juridische strijd gezocht, inmiddels tot aan de Raad van State.” Met een glimlach: “En ik denk dat sommige mensen op beide paarden wedden: die praten met ons mee en steunen stiekem ook de juridische acties.”

Intussen moest DS ook een teleurstelling incasseren toen de projectontwikkelaar wilde afwijken van het beeldkwaliteitsplan, dat juist zo zorgvuldig, in samenwerking met een architect was opgesteld. “Wij hadden voorwaarden geformuleerd waaraan de woningen moesten voldoen: terughoudend in kleur bijvoorbeeld, met ruwe gevels uit natuurlijk materiaal. Maar in plaats van donkere, schaduwrijke gevels kwamen er ontwerpen met gladde bakstenen, in witte en grijze vlakken. Die gaan veel meer opvallen.” Met lichte gelatenheid: “Volgens de opdrachtgever en de architect verkoopt dat beter.”


aanbaksels

Ronduit moeizaam werd de discussie met monumentenzorg, over het oude hoofdgebouw. “Rapp+Rapp Architecten had een helder voorstel uitgewerkt, waarin het oorspronkelijke carré, gestript van de vele latere aanbaksels, een mooi alzijdig karakter kreeg. Maar die gedachte van terug-naar-de-kern landde niet bij monumentenzorg. Er ontstond daardoor ook spanning tussen de lokale welstandscommissie en monumentenzorg. Uiteindelijk is de commissie zelfs afgetreden. Inmiddels werkt de architect aan een aangepast ontwerp.”

De lokale welstandscommissie had evenmin soelaas geboden toen het over de witte en grijze gevels ging. “Ik miste in die commissie mijn eigen discipline. De kennis om te beoordelen hoe de gebouwen in de nieuwe setting zouden passen, ontbrak.”

Bood die lacune haar als ontwerper niet ook extra ruimte? “Nee, ik heb juist een soort professionele weerstand nodig. Ik wil graag dat een commissie óók nadenkt over de vraag hoe je het grote geheel op elkaar afstemt. Hoe moeten de gebouwen in het nieuw gecomponeerde landschap staan, in hoeverre mogen ze contrasteren? Dat kan ook een provinciale commissie zijn. Als iemand zich er maar over buigt.”

Voor het aangrenzende, kleinere Velserend is Van Stiphout juist heel content met de woningontwerpen. “Ik had Jan Peter Wingender voorgedragen, van Wingender Hovenier Architecten. Hij heeft gevoel voor context, kan zich voorstellen dat er ook dieren in zijn appartementengebouwen komen.” Het is een mentaliteit, zegt ze. “Je wilt een bloedmooi gebouw ontwerpen, maar je bent ook bereid om een muis onder een dorpel te laten wonen. Het past in die omgeving, maar dat moet je wel leuk vinden.” Enthousiast haalt ze de ontwerpen tevoorschijn. “De woonblokken hebben veel reliëf gekregen, zodat dieren er kunnen schuilen. De gevels worden uitgevoerd in levergroen baksteen, passend bij het duingras. Dat gras is een groot deel van het jaar gelig van tint.”


heldere randen

Dé ontwerpopgave van de nabije toekomst ziet ze in stads- en dorpsranden. “Heldere randen maken de weerbaarheid van een gebied groter. Aan de noordrand van een nieuwbouwwijk in Oegstgeest hebben we, tussen spoorlijn en kanaal in, een nat natuurgebiedje ontworpen als groencompensatie. Het is een rietscherf geworden die het water uit de aangrenzende wijk zuivert en schoon teruglevert. We hebben er wandelpaden en bruggetjes in gemaakt. Zo’n combinatie van functies voorkomt dat het landje ooit weer strijd oproept. Die eeuwige discussie: willen we dit behouden of niet?”

Gemeenten doen er goed aan een denktank ‘voor de context’ van de gebouwde omgeving op te richten, vindt de ontwerpster. “Sommige gemeenten, zoals Den Haag hebben wel een commissie voor de openbare ruimte, maar dan gaat het nog vaak alleen over beheer.”

Het leefklimaat, dáár moet het wat haar betreft over gaan. Ze is optimistisch over de kansen die er nu liggen. “Groene context krijgt meer economische waarde, er zijn nu harde getallen over de relatie tussen groen en volksgezondheid. Sommige gemeenten zijn daar al alert op. In Zoetermeer zie je bijvoorbeeld een sterk ecologisch beleid, met sfeerbepalende bloeiende bermen en waterlopen.”

Zijdelings, ‘op systeemniveau’ zoals ze dat noemt, is ze ook betrokken bij de verouderde ‘bloemkoolwijken’, de kronkelige woonerfbuurten uit de jaren tachtig. “Die zijn niet zo erg verkeerd, mensen wonen daar graag. We moeten alleen uitzoeken hoe we de benauwdheid eruit kunnen halen.”


continueren

Haar vak overlapt met stedenbouw, beaamt ze. “Maar wij komen aanzetten vanuit het landschap, en daardoor hebben wij toch vaak een andere perceptie. Als de gemeente Maastricht voorstelt om een woonwagenkampje naar de rand van de stad te verplaatsen, roep ik: nee, dat moet je juist níet doen. Wat je ziet, en hoe je het beleeft, hangt natuurlijk ook af van waar je vandaan komt. Het is niet toevallig dat we hier veel mensen met een dorpsachtergrond in dienst hebben.”

Behoudzucht is het niet. Integendeel, ze is kritisch over historiserende architectuur. “Bureaus als Faro, Soeters en Mulleners en Mulleners houden een vergelijkbaar verhaal over context en historie als wij, maar zij stollen alles in steen. Zij willen iets afronden. Wij willen juist iets continueren. Nieuwe elementen toevoegen en zo de historie levend houden.”