Het Ruimtelijk Planbureau onderzocht de afscherming van Nederlandse woonbuurten. In Nederland zijn nog geen hermetisch afgesloten woonenclaves. Wel steeds meer beschutte woonhoven en woonstraten.
copyright Carien Overdijk
verschenen in Binnenlands Bestuur 23 november 2007
Nederland hoeft niet te vrezen voor een opmars van de beruchte gated communities, afgesloten woningcomplexen voor welgestelden. Beschutte woonhoven en woonstraten nemen snel in aantal toe, maar ze vormen geen bedreiging voor het leefklimaat en de openbare ruimte. Dat concludeert het Ruimtelijk Planbureau (RPB) in haar rapport Afgeschermde woondomeinen in Nederland.
Videocamera’s, infraroodsystemen, geüniformeerde bewakers, hoge muren en electrisch bediende hekken. Dat is de outillage van de duurdere private woonwijken in Peking en Warschau, zo stelden de RPB-onderzoekers met eigen ogen vast. In Frankrijk troffen ze een mildere variant. Ook hier muren, camera’s en alarmsystemen, maar het hek van een résidence fermée is niet altijd gesloten en ongenode bezoekers worden niet direct onvriendelijk bejegend.
De buitenlandse verkenning in Afgeschermde Woondomeinen vormt niet alleen een confonterend bewijs dat de aloude gated communities, bekend van de Verenigde Staten en Zuid-Afrika, snel globaliseren. Ze kleurt ook in belangrijke mate het oordeel van de RPB-onderzoekers over de opleving van de nieuwe, beschutte woondomeinen in Nederland.
Want, zo constateert het RPB aan de hand van een verkenning van Nederlandse nieuwbouwprojecten, bij ons loopt het allemaal zo’n vaart niet. Hoge hekken en muren zijn zeldzaam, beveiligingssystemen komen nauwelijks voor en bewakers zijn er al helemaal niet. De afgeschermde buurten beperken zich meestal tot een bordje privé-terrein naast een open toegang. Bij binnenstadshoven of woonstraten gaat in een enkel geval na zonsondergang een toegangshek op slot (een beproefde praktijk bij traditionele hofjes), maar de meeste afgeschermde woonbuurten werpen geen harde blokkades op.
Zijn buitenlandse gated communities bovendien vaak complete enclaves met eigen voorzieningen, de Nederlandse beschutte woonhoven en woonparken zijn kleinschaliger, veelal zonder eigen faciliteiten. Als die er wel zijn (speeltuin, wandelpark), staan ze meestal ook open voor buitenstaanders.
Ook ogen de Nederlandse woondomeinen vriendelijker. Ze hebben de voor ons land typerende ‘zachte grenzen.’ Waterpartijen, trappen, heggen en struiken weren buitenstaanders op een onnadrukkelijke manier. Opvallend en typisch Nederlands is ook de variëteit in verschijningsvormen (parken, kastelen, buitenplaatsen, stadspleintjes) en in mate van afscherming en privatisering.
De analyse van het RPB is zuiver planologisch. De onderzoekers selecteerden zes representatieve buurten (o.a. de woonkastelen in de Bossche wijk Haverleij en het Vondelparc in Utrecht) en ontrafelden deze in termen van ligging, toegankelijkheid, begrenzing, architectonische uitstraling en eigendomsverhoudingen.
Slechts sporadisch klinkt een kritische noot, bijvoorbeeld over ‘defensieve architectuur’ aan de buitenzijde van De Grote Hof in Pijnacker-Nootdorp (250 woningen), waar hoge buitenmuren en smalle ramen als ‘schietgaten’ de indruk van een onneembaar fort wekken. Ook acht het RPB de kwaliteit van de openbare ruimte binnen de domeinen soms onder de maat. Flevo Golf Resort in Lelystad mist trottoirs en de golfbaan biedt slechts kijkgroen omdat alleen clubleden toegang hebben. En de ongenaakbare, saaie uitstraling van het Paleiskwartier middenin Den Bosch maakt de pretentie van een ‘stedelijke omgeving’ niet waar.
In een hoofdstuk over de bijbehorende maatschappelijke ontwikkelingen erkennen de onderzoekers dat afscherming het Nederlandse streven naar bevolkingsmenging tegengaat, en dat het vooral marktpartijen zijn die gretig woonbuurten afschermen om aan de groeiende vraag naar een besloten en homogene leefomgeving te voldoen. Deze ontwikkeling onttrekt zich aan rijks- en provinciaal beleid omdat gemeenten autonoom kunnen beslissen over afscherming.
Voor lokale bestuurders en ambtenaren bevat het rapport een rijtje planologische ‘aanknopingspunten’ om het openbaar belang veilig te stellen en te voorkomen dat een buurtje te snel dateert of gedragsproblemen uitlokt.
De RPB is in zijn studie opmerkelijk optimistisch. De nogal vriendelijke uitstraling van de Nederlandse woondomeinen en de recente berichtgeving over de daling van subjectieve onveiligheid brengen de onderzoekers tot de stelling dat het met de ruimtelijke polarisering in Nederland wel losloopt.
De animo voor dit type buurten wordt in het rapport zonder statistische onderbouwing toegeschreven aan ‘een behoefte aan geborgenheid in plaats van aan veiligheid’, alsof de twee niet in elkaars verlengde liggen. Bovendien ontbeert het rapport elke vorm van kwantitatieve analyse, of zelfs maar cijfers over vraag, aanbod en aard van de afgeschermde buurten.
Intussen tekent de eerste Nederlandse Suncity zich wel degelijk af aan de horizon. Het haalbaarheidsonderzoek naar een seniorenstad in de gemeente Noordoostpolder, een afgeschermde nederzetting met maar liefst 1500 woningen plus voorzieningen voor 55-plussers, is vrijwel afgerond. Tot nu toe staan alle seinen op groen.
Ook het eerder verschenen Privaat beheerde woondomeinen in Nederland (Nai Uitgevers, 2006) nuanceert de RPB-conclusie. Weliswaar blijkt ook uit deze verkenning dat de Nederlandse woondomeinen nog niet lijken op de gebarricadeerde gated communities, het boek schetst wel de talrijke worstelingen van bewoners en gemeenten met bijzondere eigendomsverhoudingen, moeizame beheersafspraken en handhavingsproblemen.
De Nai-publicatie biedt bovendien een indruk van de schaal waarop het fenomeen zich in Nederland afspeelt. Het brengt ruim honderd recente afgeschermde nieuwbouwprojecten schematisch in kaart en noemt dit ‘vermoedelijk een fractie van het totaal.’