Schoonheid in deeltijd
Evenals haar voorganger Mels Crouwel is rijksbouwmeester Van der
Pol drie dagen per week in touw om de schoonheid van Nederland te bevorderen.
Als adviseur voor de Rijksgebouwendienst grijpt zij terug op de
klassieke rol van de eerste rijksbouwmeesters, die nog ontwerpend actief
waren. ‘Voor echt ontwerpen en bouwen is bij ons natuurlijk geen ruimte meer,
maar we kunnen wel in een vroeg stadium, door middel van ontwerpend onderzoek,
meehelpen en adviseren. We willen het motto van de architectuurnota, een
cultuur van ontwerpen, waar maken. Het ontwerp moet weer voorop staan. En
dan gaat het niet alleen over nieuwbouw, maar ook over bestaande monumenten en
over gebouwen die worden afgestoten. Ik wil, met inschakeling van alle kennis
die er bij de departementen is, die kwaliteitsslag maken, aan de vóórkant van
het proces.’
Daarnaast buigt de rijksbouwmeester zich, samen met de andere
drie rijksadviseurs in haar ‘college’, over alle ruimtelijke aspecten van het
rijksbeleid, maar ook over specifieke onderwerpen als de publieke
aanbestedingspraktijk en de positionering van de ruimtelijke opleidingen en
van jonge ontwerpers.
Op de twee werkdagen die overblijven werkt Van der Pol als
partner in haar zestigkoppige bureau Dok Architecten. Ze maakte naam met
markante woongebouwen als de ‘rooie donders’ in Almere en Aquartis in
Amsterdam, maar ook met een sculpturale energiecentrale in Utrecht.
Stedenbouwkundige ervaring deed ze onder andere op door bij te dragen aan een
plan voor het Nijmeegse Waalfront, waarbij toekomstige bewoners actief werden
betrokken.
Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol over het architectuurklimaat
copyright Carien Overdijk
verschenen in Binnenlands Bestuur, 19 december 2008
Onzekere opdrachtgevers, verstikkende regels en morrende architecten. In dit mijnenveld opereert rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol behoedzaam, maar ook gepassioneerd. ‘Ik doe een beroep op alle stakeholders.’
‘Er moet bindend beleid komen. Publieke opdrachtgevers zijn onzeker geworden, risicomijdend.’ Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol zegt het rustig, maar met nadruk, voor een bomvolle congreszaal. Architecten, projectontwikkelaars, wethouders, gemeente-inkopers, ambtelijke juristen, procesbegeleiders: iedereen luistert aandachtig. Voor haarzelf is dit een belangrijk moment. Maandenlang heeft ze naar deze middag over Europese aanbestedingen toegewerkt.
Sinds ze in augustus het stokje van Mels Crouwel overnam, is de rijksbouwmeester gegroeid in haar rol. In oktober, op de Ruimteconferentie van het Planbureau voor de Leefomgeving, klinkt ze als plenair spreker nog wat afstandelijk, al presenteert ze daar wel met overtuiging de vragen en dilemma’s die ze uit haar nieuwe opdracht heeft gedestilleerd.
Nu, in december, toont ze zowel durf als bindende kracht. Ze spreekt haar vreugde uit dat de aanwezige partijen, die zo vaak met elkaar in de clinch liggen over bouwopdrachten, het op deze middag eens blijken over het onderliggende probleem: te complexe procedures. ‘Ik doe een beroep op alle stakeholders’, zegt ze gepassioneerd, ’om deel te nemen in een regiegroep, waarover ik graag de leiding zal nemen. Zo kunnen we komen tot een gezamenlijk platform voor opdrachtgevers en architecten en tot een vereenvoudiging van de regels.’ Waarna ze schijnbaar uit de losse pols een reeks te nemen acties aankondigt.
Na afloop oogst ze een daverend applaus.
doorgeschoten
Er volgt een borrel waarop iedereen haar aanschiet. Als ze daarna – zoals afgesproken – apart gaat zitten voor een interview met Binnenlands Bestuur, weet menig congresdeelnemer haar nóg te vinden. Met even een compliment, of iets voor een aanstaand overleg. Ze reageert snel, flexibel, informeel.
‘Hoe vond je het?’ wil ze van de verslaggever weten als het tweegesprek van start gaat. Ze doelt op het proces van die middag, de betrokkenheid van de deelnemers. Ze heeft erin geïnvesteerd. De afgelopen weken had ze ze allemaal afzonderlijk om de tafel: een delegatie architecten, een groep projectontwikkelaars, het lokale bestuur, zelfs de adviesbureaus. ‘Alle partijen zijn het erover eens dat de aanbestedingspraktijk is doorgeschoten, dat het anders moet’, constateert ze opgetogen. ‘Nu kunnen we verder.’
Op de vraag wie er in de regiegroep moeten, reageert ze behoedzaam. Ze noemt een trits belanghebbenden, waaronder ‘natuurlijk de VNG’, maar houdt tegelijk een slag om de arm. ‘Het kan nog veranderen. De adviesbureaus? Die waarschijnlijk ook.’
Als partner in een groot architectenbureau en als ontwerper heeft ze de nodige proceservaring. Die komt haar bij dit soort onderwerpen van pas. Zo spontaan als ze reageert op gespreksonderbrekingen, zo bewust hoedt ze zich voor uitspraken waar andere partijen nog niet aan toe zijn.
‘Het is mijn bedoeling om alles zorgvuldig te doen. Ik wil in de regiegroep de volgende stap voorbereiden, en daarna de resultaten aan het kabinet aanbieden. De klachten van de architectenbranche zijn terecht. Kleinere bureaus komen bij openbare aanbestedingen niet meer aan bod. Daardoor verschraalt het aanbod aan creatieve oplossingen voor publieke ruimtelijke vraagstukken.’
Dat het praten over taken, rollen en verantwoordelijkheden tijd opslorpt die nu niet ten goede komt aan mooie ontwerpen en vergezichten, hindert haar niet. ‘Het is een dankbare taak als je ziet hoe hoog de nood is. Ik sta voor een goed architectuurklimaat in Nederland. De openbare aanbestedingspraktijk staat dat in de weg. De tijd die ik hierin steek is de moeite waard, het gaat indirect over de schoonheidsbeleving van ons land.’
niet job-hoppen
De aanbestedingspraktijk staat bovendien in verband met een zaak waar ook haar voorganger zich al druk om maakte: het gemis aan stedenbouwkundigen bij gemeenten. ‘Lokale overheden zijn op dit moment onvoldoende geëquipeerd om opdrachten professioneel weg te zetten. Ze huren volop adviesbureaus in, maar missen zelf de stedenbouwkundige expertise die daarbij nodig is. Het gaat bij ontwerpopdrachten nooit alleen over objecten, het gaat óók om de ruimte tussen de architectuur en het landschap. Dat aspect blijft nu onderbelicht. De stedenbouwkunde heeft als vak de laatste twintig jaar onvoldoende stem gehad bij het formuleren van opdrachten.’
Het dieptepunt was misschien al gepasseerd toen ze aantrad. ‘Op initiatief van mijn voorganger hebben we er een praktijkhoogleraarschap ontwerpen bij. Maar daarmee zijn we er niet. Ik wil samen met de opleidingen gaan kijken hoe ik de discipline kan ondersteunen. Het rijk heeft de ruimtelijke ordening overgelaten aan de gemeenten. Dan moeten die gemeenten daarvoor ook de deskundigheid in huis hebben.’
Voor ontwikkelingscompetities, projecten met een lange looptijd, is de urgentie extra groot, vindt ze. ‘Daar heb je als gemeente eigen stedenbouwkundigen bij nodig, die niet job-hoppen. Een gemeente moet die mensen in dienst hebben of contracteren voor de looptijd van een project.’
Uit haar eigen praktijk herinnert ze zich een langlopende gebiedsontwikkeling in Vijfhuizen, waarin ze samenwerkte met externe landschapsarchitecten. ‘Ik heb gedurende dat project iedereen bij de gemeente zien vertrekken. Ik was op het laatst de enige die nog wist hoe het zat.’
Maar hoe krijgen gemeenten de stedenbouwkundigen terug die de afgelopen jaren massaal zijn overgestapt naar projectontwikkelaars? Een hoger salaris kunnen ze niet bieden. ‘Open je deuren, laat zien hoe verleidelijk het werk is dat je aanbiedt’, adviseert Van der Pol. ‘Als je een stadhuis, een school, een museum wilt laten bouwen, dan is dat een geweldig event, een prachtige opgave voor een stedenbouwkundige! Hoe positioneer je dat in de gebouwde omgeving?’
Als een gemeente de stedenbouwkundige randvoorwaarden zelf goed kan bepalen, dan wordt het ook makkelijker om voor de aanbesteding een architect te kiezen, en niet gelijk een plan. ‘Gemeenten kunnen meer profijt hebben van architecten dan ze zich toestaan’, vindt de rijksbouwmeester. ‘Als ze kiezen voor een plan is dat nu vaak gebaseerd op formele, papieren voorwaarden. Maar ga als gemeente vantevoren nou eens langs bij een aantal bureaus, laat je voorlichten hoe er gewerkt wordt, spreek met de medewerkers. En bouw een dialoogfase in vóór de aanbesteding, zoals bijvoorbeeld de Universiteit van Amsterdam dat doet. Dan kun je voor een bureau kiezen zonder dat je je meteen vastlegt op een plan. De Europese regels staan dat allemaal niet in de weg. Je hoeft niet Roomser dan de paus te zijn.’
maakbaarheid
Haar drijfveer om voor tenminste drie jaar ’s lands bouwmeester te zijn formuleerde ze al eens in een toespraak: ‘mensen het plezier laten hervinden in de maakbaarheid van onze topografie. Ze zich laten afvragen: als we daar gaan bouwen, hoe loop ik daar dan, hoe fiets ik daar?’ Daar zegt ze voor te willen ‘knokken’.
Maar hoeveel is haalbaar, in ons ruimtelijk nu zo liberale klimaat?
‘De aandacht voor schoonheid is terug op rijksniveau’, vindt ze. ‘Het eerste college van rijksadviseurs (onder leiding van haar voorganger Crouwel, red.) heeft daar een grote rol in gespeeld. We hebben nu een architectuurnota, een Agenda Landschap, een budget voor Mooi Nederland. Daar kunnen we mee verder, al mag de Randstadvisie 2040 nog wel wat stringenter. De programma’s zijn nog niet verankerd in regels. De inpassing van nieuwe projecten wordt nu belangrijk.’
Waar denkt ze dan aan? ‘Daar wil ik niet op vooruitlopen’, antwoordt ze, alweer voorzichtig. ‘We zijn het eens dat het wonen in het stadse vlak aantrekkelijker moet worden. Dat oude industrieterreinen en lege kantoorgebouwen een nieuwe bestemming moeten krijgen. Daar moet je lokale bestuurders verantwoordelijk voor maken, maar je moet ook projectontwikkelaars en ontwerpers oproepen om zich erop in te stellen dat verdichting en inbreiding prioriteit krijgt. Dan gebeurt er wat. Kijk naar Amsterdam: daar geeft de nieuwe nota Schoonheid een positieve impuls.’
Voor de Vogelaarwijken organiseerde ze begin oktober een bijeenkomst. ‘Met de minister hebben we afgesproken om daar, in goed overleg met de corporaties, de ruimtelijke component in alle actieprogramma’s aan te vullen met een kwaliteitsteam vanuit het Atelier Rijksbouwmeester. De dialoog over het nieuwe bouwen moet niet verder polariseren, het is belangrijk dat je met elkaar goed afweegt wat je wilt behouden en wat niet.’
Dat minister Vogelaar plotseling moest vertrekken, mag geen afstel voor dit plan betekenen, vindt ze. ‘We moeten het nog vormgeven, maar we zijn al in gesprek met een paar gemeenten. We wachten nu op een gesprek met minister Van der Laan. Dat kan even duren, hij moet zich inwerken.’
welstand
Genoeg initiatieven op rijksniveau dus, maar intussen geeft het kabinet de verplichte onafhankelijke welstandscommissie zomaar op. ‘Daar moet de Tweede Kamer zich nog over uitspreken’, reageert ze alert. ‘Dat wachten we even af. Natuurlijk vind ik het ongelooflijk belangrijk dat kwaliteit goed wordt gemonitord, maar je kunt schoonheid op veel manieren borgen, en de welstandsbeoordeling is er een van. Het gebeurt ook via supervisieteams en kwaliteitsteams.’
Toch wil ze wel iets kwijt over de rol van welstand. ‘De werkwijze van de commissies is de afgelopen jaren enorm verbeterd, mede dankzij de nota’s die onder leiding van stadsarchitecten en provincies zijn opgesteld. Maar ik denk dat ook de commissies meer vóórin het proces thuishoren, op het moment dat de uitgangspunten voor een ontwerp bepaald worden. Ik zou tegen de welstandsfederatie zeggen, zorg dat dát voor elkaar komt. Als je in de eerste fase al meedenkt, geef je de gemeente ook meer recht van spreken.’
En welstand regelen via de bestemmingsplannen? ‘Dat kan dat misschien ook wel. Er is genoeg tijd en ruimte om dat te onderzoeken. Als het onafhankelijke oordeel maar niet tussen de wal en het schip valt.’
Fantastisch rivierenlandschap
In de zomer van 2008 fietste de (toen nog aankomende)
rijksbouwmeester door Nederland. Ze kende de verrommelde snelwegpanorama’s al
voldoende, en als zeiler is ze thuis in de merengebieden van Friesland en het
Groene Hart.
Ter voorbereiding op haar functie wilde ze het landschap op een
andere manier verkennen. Ze was aangenaam verrast. ‘Ik fietste ik langs grote
en kleine rivieren. Een fantastische ontdekking! Het landschap heeft, gezien
vanaf de dijken, een ongekende kwaliteit, en het is goed toegankelijk gemaakt
voor recreanten. Laten we vooral niet alleen maar klagen over het uitzicht
vanuit de auto. De potentie van die fietslandschappen is groot. Laten we die
versterken en naar buiten brengen.’