Net als andere Europeanen gaan óók Nederlanders centraler wonen”

De binnenstad als magneet


Architect en stedenbouwkundige Wytze Patijn (60) keerde in 2006 als decaan terug bij de faculteit bouwkunde van de TU Delft. Hij werd er tot architect gevormd en was er enkele jaren deeltijdhoogleraar Architectonisch Ontwerpen in de woningbouw en woonomgeving.

Van 1995 tot 2000 was Patijn als rijksbouwmeester verbonden aan het ministerie van VROM.

Naast alle genoemde functies is Patijn altijd actief gebleven als ontwerper en supervisor in binnen- en buitenland. Sinds 1998 is hij verbonden aan het bureau KuiperCompagnons, gevestigd in de Van Nellefabriek te Rotterdam.


Auteur Carien Overdijk

Datum interview: 18 maart 2008

verschenen in hoofdstuk ‘Nederland over vijftien jaar’ in jubileumbundel voor verffabrikant PPG. Productie Boomerang bv


Stelling: Nederland wordt één grote buitenwijk

Onze steden zijn steeds minder stedelijk. De suburbanisatie neemt alleen maar toe in Nederland. Achter elke ring van buitenwijken ontstaan weer nieuwe buitenwijken. De meeste mensen willen uiteindelijk een grondgebonden woning met een tuin. De stadscentra zijn over vijftien jaar dunner bevolkt en verliezen hun aantrekkingskracht.


Patijn: “Nee, de stadscentra trekken juist aan”

Aan het eind van een lange werkdag als baas van de Delftse bouwkundefaculteit leunt Wytze Patijn achterover in zijn draaistoel. Bedachtzaam richt hij zijn blik naar buiten, waar hij achter de bomen van de grote parkeerplaats, kantoren weet, en daarachter de drukbereden A13. En aan de andere zijde van die verkeersader grote Vinexlocaties als Ypenburg en Emerald-Delfgauw.

“Ik denk niet dat de suburbanisatie nog sterker zal doorzetten”, stelt de stedenbouwkundige desondanks. “Ik signaleer juist een toenemende belangstelling voor het echte stedelijke wonen. De vraag naar een huis-met-tuin blijft misschien wel dominant, maar een substantieel deel van de Nederlanders zal weer ín de stad willen wonen, dichter bij culturele voorzieningen en uitgaansgebieden. Oók mensen met kinderen.”

Nederland is momenteel een buitenbeentje in Europa, stelt Patijn. “De meeste Europeanen, van Spanjaarden tot Polen, associëren het bezit van een tuin met het platteland. Ze kiezen er bewust voor om centraal en stedelijk te wonen. Het Europese stadscentrum is immers, veel meer dan het Amerikaanse, het culturele en sociale brandpunt. Dat geldt net zo goed voor Nederland, maar het magere woningaanbod in onze stadscentra heeft veel mensen naar de periferie verjaagd.”

Maar hoe duidt Patijn dan de onderzoeken waaruit blijkt dat Nederlandse gezinnen zich niet graag in een appartement laten stoppen? “Ook dát ligt aan het aanbod. Grote appartementen met ruime terrassen zijn er veel te weinig in de binnensteden. De ironie is dat we die in het suburbane milieu wél op de grond bouwen. Al die rijtjeswoningen met te kleine tuinen, hooguit zeven meter diep! Vooral tweeverdieners maken daar direct een onderhoudsvrij terras van, want tijd om te tuinieren hebben ze niet. Dan zitten ze dus in een appartement op de begane grond. En nog zonder uitzicht ook.”

Dat kinderen in de oude stadswijken niet op straat kunnen spelen, bestrijdt Patijn. “Ik woon zelf in het oude westen van Rotterdam, een heel kinderrijk gebied. Daar wordt volop buiten gespeeld.”


minder stereotiep

De architect verwacht dat ontwerpers en projectontwikkelaars de komende jaren minder stereotiep gaan denken, meer gaan experimenteren. “We hebben in onze steden veel meer differentiatie nodig in woningaanbod. Er zal worden ingespeeld op verschillende woonstijlen. Van ouderen, van jonge gezinnen, van migranten, van kleine zelfstandigen met een bedrijf aan huis. Voor migranten kun je bijvoorbeeld denken aan grote woonkeukens. Voor kleine ondernemers aan werkruimte op de begane grond, met de woonkamer op de eerste verdieping. Maar veel belangrijker is dat een woning variabel wordt ontworpen, want ook dé ouderenwoning of dé migrantenwoning bestaat niet. Bewoners willen een huis kunnen aanpassen aan hun individuele behoeften.”

Nieuwbouw zal, evenals renovatie, bovendien meer inspelen op de behoefte aan een veilig en toch levendig straatleven, met semi-openbare ruimte bij de woningen. Een mooi voorbeeld vindt Patijn het plan voor de woonbuurt Le Medi in Rotterdam. “Veel verschillende woningtypen, veel variatie in kleur en ontwerp, goede buitenruimten en een autovrij binnenplein.”

Een andere voorwaarde voor een vitaal stadsleven is de mix van maatschappelijke milieus, aldus Patijn. “Je moet het positieve effect van lage inkomensgroepen op de ruimte niet onderschatten. De stad hoort een smeltkroes te zijn, kleurrijk of niet. Juist bij de laagopgeleide migranten zie je een enorme power om vooruit te komen. Zij zijn degenen die zaakjes beginnen, bijzondere winkeltjes openen. Ook het uitgaansleven krijgt er een enorme impuls van.” Dat de gemeente Rotterdam voor alle 19e eeuwse wijken in Rotterdam-noord een soort gentrification à la de Amsterdamse wijk de Pijp beoogt, vindt Patijn daarom ongeloofwaardig. “Ze zullen ook in die stadsdelen ruimte moeten behouden voor sociale huurwoningen en voor kleine bedrijfjes en winkeltjes.”


stapelen

De trek naar het centrum zal niet overal dezelfde vorm krijgen, reageert Patijn desgevraagd. “Amsterdam heeft met de grachtengordel een peperduur woonmilieu in het centrum, in Den Haag en Utrecht is de situatie weer anders. Maar overal, ook in de middelgrote plaatsen, zit het culturele leven in de historische kern. Dat blijft zo. Bovendien leven we in Nederland in een van de hoogste dichtheden ter wereld, en willen we de buitengebieden open houden. Daarom zal er in veel stadscentra de komende twintig jaar verdichting bij komen. Daar zijn al veel plannen voor.”

Die verdichting krijgt noodzakelijkerwijs de vorm van meervoudig grondgebruik. “Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor gestapelde woningbouw, vooral in de vorm van ruime appartementen met inpandige voorzieningen.”

Maar er komt ook ondergronds veel ruimte bij. “Tien jaar geleden lachten we nog om het nieuwtje van urinoirs die in de grond verdwijnen, nu zien we in dat zulke oplossingen de toekomst hebben. Hetzelfde geldt voor ondergrondse opbergsystemen voor auto’s. Die gaan overal in de randstad verschijnen.”

Waarmee we vanzelf zijn beland bij de openbare ruimte. Hebben stadsbewoners, met name in de Randstad, over vijftien jaar nog zoveel auto”s, als het openbaar vervoer is opgewaardeerd en de steden onderling verbonden zijn met lightrail-systemen?

“Het is een misvatting dat je de auto uit de stad kunt bannen. Mensen hebben soms een auto nodig en soms openbaar vervoer, en dat blijft zo. Maar daarom hoef je nog niet tegen al dat blik aan te kijken.”

Onbemande auto’s verdwijnen uit het straatbeeld, voorspelt Patijn. “Wonen en parkeren wordt bij nieuwbouw al steeds meer geïntegreerd, via garages in of onder de woningen. Maar ook in bestaande wijken gaan we auto’s wegbergen, desnoods onder parken en singels. De stedelijke openbare ruimte is de afgelopen jaren verrommeld, terwijl juist de kwaliteit van de omgeving bepaalt waar mensen willen wonen. Stadsbesturen gaan er met projectontwikkelaars voor zorgen dat het mooier wordt op straat.”