Op zijn 26e begon Herman Hertzberger (1932) een eigen ontwerpbureau. Vlak daarna trad hij toe tot de redactie van het toenmalige architectuurblad Forum, met prominente collega’s als Aldo van Eyck en Jaap Bakema.

Hertzberger vertolkte in de architectuur al snel een eigen geluid. Hij zette zich af tegen de dogma’s van het na-oorlogse bouwen en ontwikkelde een ontwerpstijl die primair uitgaat van sociale behoeften. Deze benadering leverde originele en veelzijdige binnenruimtes op, niet alleen in de tientallen schoolgebouwen van Hertzbergers hand, maar ook in bekende projecten als kantoorgebouw Centraal Beheer in Apeldoorn (1972), Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht (1978) en het Haagse ministerie van Sociale Zaken (1990).

Dat critici Hertzbergers gebouwen aan de buitenzijde onaf of onduidelijk noemden, leek de architect naast zich neer te leggen. Toch kregen veel van zijn latere werken, zoals Theater aan het Spui in Den Haag (1993), het Chassétheater in Breda (1995) en cultuurpaleis Coda en theater Orpheus in Apeldoorn (beide 2004) een markantere buitenzijde.

Hertzberger was bijna dertig jaar hoogleraar aan de TU Delft en won tientallen architectuurprijzen. In zijn HH Architectuurstudio in Amsterdam werkt hij momenteel met een vijftigtal medewerkers aan woningen, scholen en een groot aantal renovaties en uitbreidingen van eigen en andermans werk.

Ik werk elke dag’, aldus de 76-jarige. ‘Waarom niet? Ik ben niet afhankelijk van de aftakeling van mijn lichaam. Dan kan ik toch intellectuele arbeid blijven verrichten?’


Herman Hertzberger was aan het begin van zijn carrière een fel criticaster van welstand. Veertig jaar later denkt hij er nog net zo over. Al wil hij zijn radicalisme wel wat nuanceren. ‘Maar ik vind nog steeds dat welstand te veel naar de buitenkant en naar de details kijkt.’


In een Rietveldhuis kun je ook geborgenheid vinden’

interview met architect Herman Hertzberger



copyright Carien Overdijk

verschenen in Oog voor Welstand, nummer 13, 2008


Mooi? Lelijk? Herman Hertzberger laat zich niet makkelijk verleiden tot een uitspraak over bouwkundige esthetiek. ‘Mooi en lelijk zijn twijfelachtige, subjectieve criteria. Welstand moet zich er noodgedwongen over uitspreken, maar wat maakt het eigenlijk uit of een gebouw mooi is? Wat is überhaupt mooi?’

De nestor van de Nederlandse architectuur praat gepassioneerd over kwaliteit. Maar liever niet in termen van mooi of lelijk. Roer het onderwerp welstand aan en hij staat op scherp.

Ooit, vroeg in zijn carrière, zat hij in Amstelveen achter een commissietafel, meegetroond door een oudere collega. ‘Ik voelde me daar niet thuis. Wat de deur dichtdeed, was de weigering van een dakkapel aan mensen die op zolder een studiekamertje voor hun zoon wilden inrichten. Dat kon alléén wanneer de architect een standaard voor zo’n dakkapel had geleverd bij de bouwaanvraag. Ik wist toen zeker: hier moet ik niet wezen!’


Dat dakkapellen nu meestal niet meer vergunningplichtig zijn, verzacht zijn scepsis niet. ‘Het gaat om de mentaliteit. De Hollandse volksaard wil bijzaken onder controle houden en komt aan de hoofdzaken niet toe. Het allerbelangrijkst is een goede stedenbouwkundige structuur, een hoofdlijn. Zo’n structuur, zoals in het buitengewoon goede plan Berlage in Amsterdam-Zuid, verdraagt heel veel variatie. Daarbinnen kun je allerlei onduidelijke dingen toestaan.’

Hertzberger toont zich trouw aan zijn oorspronkelijke principes. Zijn pleidooi voor grote vrijheden binnen een sterke hoofdstructuur dateert al van de jaren zestig. In 1969 voerde hij, op een roerig congres, de kritiek jegens het ‘bevoogdende’ welstandstoezicht aan. Met ‘een stripverhaal over de onderdrukking door orde en netheid en de bevrijding daarvan,’ illustreerde de angry young man wat hij bedoelde. De plaatjes toonden ‘invulbare karkassen,’ variërend van Le Corbusiers ‘ville radieuse’ (stapelbouw met vrij indeelbare vloeren, terrassen en tuintjes) tot oude Parijse viaductbogen (anarchistisch opgevuld met winkels en horeca) en de hoge zalen van een Amerikaanse universiteit, waarin studenten met sloopmateriaal hun eigen ‘mezzanines’ hadden gebouwd. Hertzberger hekelde de ‘nivellering’ en de ‘betutteling’ van de Nederlandse welstand en noemde het toezicht ‘zinloos.’ De gemoederen raakten oververhit en het welstandstoezicht overleefde de aanval ternauwernood.


Het kan geen toeval zijn dat Hertzberger kantoor houdt in een oud schoolgebouw in de dichtbebouwde Amsterdamse volksbuurt De Pijp. Een mezzanine – met stalen wenteltrap – voor de documentatie-afdeling is moeiteloos op een hoge verdieping ingepast. De vergaderzaal, op zolder, kijkt uit over een lichte anarchie aan dakterrassen en balkonnetjes.

Als de meester, verlaat en gehaast, komt binnenlopen voor het gesprek met Oog, gooit hij direct zijn kaarten op tafel: ‘Ik denk er nog nét zo over!’ Om er olijk aan toe te voegen dat hij zijn radicalisme van 1969 wel wil nuanceren. ‘Al was het maar omdat ik twee jaar geleden een prijs kreeg van de welstand, voor mijn vmbo-school in Hoorn.’

Serieuzer: ‘Ik heb me destijds extreem uitgedrukt, ik wilde provoceren. Maar ik vind nog steeds dat welstand teveel naar de buitenkant en de details kijkt. Er is zoveel decoratieve kitscherigheid in Vinexwijken. Zogenaamd afwisselende gevels, terwijl de huizen erachter verschrikkelijk eentonig zijn. Ook de opgelegde afwisseling van de rijtjesbouw op Java-eiland, hier in Amsterdam, is onecht. Of die retro-architectuur. Die appelleert zó aan het gesundes Volksempfinden!’

Dat laatste verrast. Hertzberger is toch ook de ontwerper die zich veel aantrekt van de behoefte van bewoners? En die voelen zich – volgens marktonderzoek – geborgen tussen baksteen, kleine ruitjes en schuine daken. ‘Het is fake, die verkleinde patriciërshuizen’, houdt de architect vol. ‘Dat soort ontwerpen speelt in op een consumentisme waar we niet verder mee komen. Alsof vroeger alles beter was. Mensen moeten ook de kans krijgen om te leren. In een Rietveldhuis kun je ook geborgenheid vinden, als je ermee bent opgevoed.’


Hém gaat het nooit om de oppervlakkige waarneming, zo maakt hij duidelijk. Welstandstoezicht mag gerust blijven, als het zich maar druk maakt om belangrijker zaken dan silhouetten, geveldecoraties, raampartijen of materialen.

Iets is mooi wanneer het klopt, en dan heb ik het niet alléén over de functionaliteit. Een gebouw of een wijk klopt wanneer de dimensies aansluiten op de beleving van mensen.’ Van welstandscommissies verwacht Hertzberger een bijpassend abstractieniveau. ‘Het gaat om de ruimte die je creëert. Dat kan een buitenruimte zijn, die ontstaat via de rooilijnen in een stedenbouwkundig plan. Maar het moet ook over binnenruimte gaan, en hoe die aan de buitenkant te ervaren is.’


Gebruikers moeten zelf nog iets in kunnen vullen, vindt de architect ook nog steeds. ‘Laatst was ik, na vijftien jaar, terug in de Polygoonschool die ik in Almere heb gebouwd. Daar zijn we heel terughoudend geweest met de indeling van de ruimte en met kleur. Nou, ze hebben het gebouw helemaal naar hun hand gezet. De plekken die ik kaal heb gelaten zijn woonnesten geworden, met lappen, verlichting, affiches, werkstukken van de kinderen. Een gebouw moet provoceren er iets mee te doen. Die zogenaamd pure architectuur, die gladgeschoren, gefotoshopte gebouwen, dat werkt niet. Dat is naïef. Een gebouw moet een bepaalde universaliteit meekrijgen, niet te specifiek zijn. Ontwikkelingen gaan zó snel. Dáár moet welstand op letten.’

De architect heeft ook moeite met het dogmatisme in stedenbouwkundige plannen. ‘Zo’n plan zou moeten verplichten tot afwisseling. Maar de nieuwe wijk Schuytgraaf in Arnhem, bijvoorbeeld, stelt juist heel strenge eisen. Alles moet er traditioneel en natuurlijk, met baksteen en hout. Wij hebben een brede school voor die wijk ontworpen die daarmee contrasteert. Met rechte lijnen, met veel staal, wat niet mocht, met felle kleuren op de binnenplaats. Wij hebben het gepresenteerd als een onderscheid tussen het publieke domein en de omringende privéwoningen. Gelukkig is dat uiteindelijk door welstand geaccepteerd. Zij het via de supervisor.’

De naam Hertzberger staat niet automatisch garant voor een vlotte afhandeling bij welstand. ‘Ik heb zelden last met een commissie, maar het komt voor. Wat ik nu in gedachten heb, ga ik niet vertellen, want dat loopt nog. Ja, ik kom in de commissies veel bekenden tegen. Maar ook dat is niet altijd positief. Ooit heb ik een student de pas afgesneden in zijn studie. Die zat opeens tegenover mij bij welstand. Hij wist het nog precies. Hij zei: nu kan ik wraak nemen.’


Maar het gaat hem niet om zulke uitzonderlijke situaties. Hij wil dat welstand geen regeltjes of verboden oplegt, in welke nota dan ook. ‘Vaste criteria zijn beperkend, er moet altijd ontsnapping mogelijk zijn. Welstand moet een positieve benadering kiezen. Beoordelen of een gebouw met de tijd meekan, aanpasbaar, uitbreidbaar is. En welstand moet op voet van gelijkwaardigheid willen discussiëren met een architect. Die zit vaak al genoeg in de klem, omdat de opdrachtgever zo snel mogelijk wil bouwen. Als het bij de commissie dan vastloopt, zegt de ontwerper: ‘schetst u maar wat u wilt zien’, waarop welstand zegt: ‘nee, dat doen we niet.’ Dan moet de architect de commissie zien te ontlokken wat het dan wél moet worden!’

Hij erkent dat hij ook weleens wordt geholpen door een commissie. ‘Bijvoorbeeld om een luifel erdoor te krijgen die een opdrachtgever niet wil.’


Mooie gebouwen? Hertzberger spreekt liever van geslaagde gebouwen. Zoals het Groothandelsgebouw (1951) van Huig Maaskant in Rotterdam. ‘Dat is van binnen ook weer een soort stad’. Of de Wolkenkrabber (1932) van J.F. Staal in Amsterdam: ‘Hij klopt als gebouw, en hij is stedenbouwkundig precies goed ingepast.’ Of het Educatorium (1997) van Rem Koolhaas in Utrecht. ‘Dat is een van de beste OMA-gebouwen, stedelijk en ruimtelijk, zonder smalle gangen. En van buitenaf zijn de binnenruimtes ook goed te ervaren.’

Hij is wars van megalomane architectuur. ‘Het nieuwe Filmmuseum in Amsterdam is weer zo’n supersculptuur die alles eromheen domineert. Veel architecten zijn daar gek op, denk aan het werk van Gehry in Bilbao. Maar we zitten in dit dichtbebouwde land niet verlegen om objecten die zich zo druk maken om zichzelf te zijn. Stel je voor dat het ooit uitgebreid moet worden. Moet je dan een vlerk toevoegen aan zo’n verongelukte meeuw?’