Voordat Annemiek Rijckenberg (1953) in 2005 aantrad als voorzitter van de Commissie voor Welstand en Monumenten van Amsterdam was ze onder meer twee ambtstermijnen wethouder ruimtelijke ordening in Utrecht.

Rijckenberg is zelfstandig adviseur stedelijke ontwikkeling. Ze is lid van de VROM-raad, adviserend bestuurslid van vereniging Deltametropool en lid van de Raad voor Verkeer en Waterstaat. Ook vervult ze commissariaten bij Triodos Groenfonds en woningcorporatie Portaal. Rijckenberg studeerde urbane en rurale sociologie en begon haar loopbaan als opbouwwerker in de stadsvernieuwing.

 

‘Welstand gaat óók over stedenbouw’

 

Het Amsterdamse welstandsbeleid bestaat 111 jaar. Evengoed staat de grand old lady onder de schoonheidscommissies vooraan bij de digitale hervorming van de welstandspraktijk. Een gesprek met commissievoorzitter Annemiek Rijckenberg over Amsterdamse authenticiteit en het grote misverstand over welstand.

 

Verschenen in Oog voor Welstand nummer 18, juni 2009

Copyright Carien Overdijk

 

‘Vrijheid en schoonheid, dat botst ’, stelt Annemiek Rijckenberg onomwonden. ‘Als iedereen doet wat-ie wil, krijgt niemand wat-ie wil. In welstandsvrije wijken drukken mensen individueel hun smaak uit, maar ze kunnen er zelf niet naar kijken. Want de buren bouwen hún kavel vol in een andere stijl. Het is de uitdaging aan ons, als sector welstand, om duidelijk te maken dat ons werk geen bevoogding is, maar de kwaliteit van de omgeving verhoogt.’ Olijk: ‘Welstand is er niet voor u, maar voor uw buren.’

Sinds 2005 adviseert Rijckenberg, als voorzitter van de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam, over de ruimtelijke kwaliteit van de hoofdstad. Beïnvloeden en overtuigen is voor haar in deze functie belangrijker dan regels instellen en plannen afhameren, want de Amsterdamse welstandscommissie werkt decentraal, op basis van nota’s per stadsdeel. Alle bouwplannen komen in behandeling bij een van de drie geografische subcommissies of de monumenten-adviescommissie. In 2008 beliep hun gezamenlijke productie ruim elfduizend adviezen. Slechts de meest precaire plannen, zo’n dertig per jaar, halen de zogeheten plenaire vergadering.

 

zelfbewustzijn

Het is een bijzonder jaar voor de Amsterdamse welstand. ‘Als oudste schoonheidscommissie van Nederland bestaan we 111 jaar. En omdat het honderdjarig bestaan onopgemerkt voorbij is gegaan, grijpen we deze mijlpaal aan om te laten zien wie we zijn aan een groter publiek. We gaan het vieren als een jubileum, met een reünie en een speciale editie van het stadsmagazine 020.’

Vanzelfsprekend is zo’n feestje niet, beseft de voorzitter. ‘Het lijkt of we de afgelopen decennia ons zelfbewustzijn zijn kwijtgeraakt. Welstand was nooit populair, maar het was vroeger wel een eerbiedwaardige institutie. Nu zien veel mensen ons alleen nog als de laatste horde in het bouwproces. Die status, van een soort stoorzender op weg naar de bouwvergunning, past ons niet. We moeten zichtbaar maken dat we een logisch deel zijn van een kwaliteitsketen met talrijke schakels. De belangrijkste schakels zijn de opdrachtgever en de architect. Wij helpen het openbaar bestuur om ruimtelijke ambities te formuleren en we kijken of die gehaald worden.’

Ook vanwege een nieuwe werkwijze staat de Amsterdamse welstand dit jaar extra in de schijnwerpers. ‘In september voeren we de zogeheten Schoonheid van Amsterdam Digitaal stadsbreed in. Vanaf dat moment kan iedereen per adres, op postcode, de regels en het beleid van het betreffende stadsdeel vinden. Maar men kan doorklikken naar de geschiedenis en de stedenbouwkundige opzet van de buurt of de wijk. Wie iets wil bouwen kan snel uitzoeken wat er mogelijk is. Het is een service aan de burger, maar het ontlast ook de stadsdelen.’

In 1999 werkte Rijckenberg als wethouder mee aan het rapport ‘Welstand op nieuwe leest’ van de commissie Asselbergs, dat leidde tot de hervormingen van 2003. Nu, vijf jaar later, blijkt dat die transparantere aanpak goed werkt, vindt ze zelf. ‘In Amsterdam is de cultuur echt veranderd. We kondigen niet alleen onze agenda’s aan, maar we attenderen betrokkenen er ook persoonlijk op en stellen hen in de gelegenheid om tijdens onze vergaderingen informeel te reageren.’

Ondanks de toegenomen openbaarheid, ook elders in het land, staat het welstandswerk nu meer dan ooit ter discussie, stelt ze vast. ‘Het voorstel van minister Vogelaar om de onafhankelijke commissies niet langer verplicht te stellen is nog een boeggolf van de paarse deregulering. Maar intussen is er al zoveel veranderd. Ik ben blij dat de Kamer ervoor heeft gekozen de onafhankelijke commissies te behouden. Welstand valt niet te regelen via ambtelijke advisering op basis van bestemmingsplannen. Die plannen zijn vaak veel te globaal, of ze komen te laat.’

 

stedenbouw

Rijckenberg blijft zich inzetten voor verdere vernieuwingen in Amsterdam. Deels ontstaan die uit praktische noodzaak. ‘Voor de Digitale Schoonheid zijn alle nota’s per stadsdeel herschreven om de terminologie en het beleid te stroomlijnen. Het ene stadsdeel bleek bijvoorbeeld vrijer dan het andere, voor hetzelfde type bebouwing. We gaan nu overal in Amsterdam dezelfde normen hanteren voor vergelijkbare situaties. De stadsdelen behouden daarnaast beleidsvrijheid voor nieuwe gebieden en voor eigen karakteristieken.’

Ze wil de rol van welstand bovendien niet beperken tot discussies over afzonderlijke projecten. ‘Welstand gaat óók over stedenbouw’, zegt ze in het pas verschenen jaarverslag van de commissie. Dat lijkt haast een provocatie.

‘Stedenbouw is in Amsterdam geen taak van welstand,’ erkent ze desgevraagd. ‘Maar iemand moet zich er druk over maken. Net als elders stuurt de gemeente Amsterdam niet meer op centrale stedenbouwkundige uitgangspunten, het middenniveau is niet goed afgedekt. Stadsdelen huren per project stedenbouwkundigen, projectleiders of bouwmanagers in, en plannen gaan alleen aan het begin van de rit naar een stedelijk toetsteam. Omdat wij als commissie alles langs zien komen, gaat het tussen ons en de stadsdelen vaak over dat middenniveau.’

Welstand staat nu eenmaal voor meer dan een mooi gebouw, vindt ze. ‘Wij kijken ook dus naar de inpassing van gebouwen in de omgeving, naar volumes, parkeeroplossingen, groenstructuren. We signaleren blinde muren, het ontbreken van functies in een plint. En bij dat alles proberen we de tijdgebonden morfologie herkenbaar te houden. Adviezen daarover leggen we neer bij de stadsdelen.’

 

tijdsbeeld

Niet overal werd die stedenbouwkundige blik aanvankelijk gewaardeerd, maar ze ziet een kentering. ‘De stadsdelen krijgen meer belangstelling voor hun eigen geschiedenis en ruimtelijke typologieën. Ze trekken nu meer supervisoren aan, die aan de voorkant van de planvorming de samenhang kunnen bewaken.’

Vooral in de uitbreidingswijken valt een wereld te winnen, vindt Rijckenberg. ‘Denk aan stadsdeel Noord. Het kent een enorme variatie aan buurten en wijken, het lijkt een samenvatting van een groot deel van Amsterdam. De provincie Noord-Holland komt er ook de stad binnen, met kneuterige huisjes aan het water. Die variatie staat onder druk door de huidige snelle, grootschalige ontwikkelingen in één stijl, één tijdsbeeld.’ Tot haar vreugde gaat Noord nu een supervisor aanstellen.

In de tuinsteden is de welstandsdiscussie nog wat ingewikkelder. ‘Daar hebben de stadsdelen al supervisoren, maar die werken eigenlijk op een te kleine schaal. De groenstructuren en de fijnmazige verkeersontsluiting van Van Eesteren lopen over de huidige stadsdeelgrenzen heen, en woningcorporaties zijn in verschillende tuinsteden tegelijk actief met nieuwbouw.’

Dat niet iedereen even sterk hecht aan de oorspronkelijke uitgangspunten van de tuinstadstructuur, compliceert de discussie ook. ‘Sommige ontwikkelaars zetten zich er juist tegen af’, verzucht Rijckenberg. ‘Er zijn in het verleden lukraak stukken groen volgebouwd, waarmee kwaliteiten als openheid en doorzicht zijn aangetast. Wij proberen de aandacht te vestigen op hoe die wijken bedoeld zijn.’

 

vrolijke strips

Als voormalig opbouwwerker legt ze ook gemakkelijk het verband met de functionele inrichting van de tuinsteden. ‘Denk aan die leeggelopen winkelstrips, die bijna allemaal in handen zijn van pensioenfondsen. Ze zijn te klein voor de detailhandel, maar kleinschalige bedrijvigheid is nou juist belangrijk voor die wijken, ook voor allochtonen. In Hoograven, een vergelijkbare wijk in Utrecht, zindert het bijvoorbeeld al van de bedrijvigheid aan huis. Door bijvoorbeeld de huur van die winkeltjes omlaag te brengen, zouden starters en zzp’ers daar iets kunnen beginnen in de horeca, catering of dienstverlening.’

In de tuinsteden ziet ze dit soort ideeën nu wel groeien. ‘Corporaties nemen het over, er komt iets op gang. Die oude winkelrijtjes kúnnen vrolijke strips worden.’

Als de stadsdelen naast welstandscriteria ook stedenbouwkundige criteria vastleggen, kan welstand een stuk sneller en effectiever werken, verwacht ze. ‘Denk aan criteria over het karakter van buurten, over stratenpatronen, over maatvoering.’ Ook over de gewenste mate van rigiditeit kunnen stadsdelen zich uitspreken. ‘In het jaar dat ik hier kwam, leek Amsterdam wel één grote baksteenfabriek. Natuurlijk is dit een baksteenstad, maar dat geldt niet voor alle wijken, en het moet ook niet te dogmatisch worden. Als je in de nota opschrijft dat kleur en materiaal bij de omgeving moeten aansluiten, vul dan in wat je daar precies mee bedoelt. Mag er soms ook een contrast in?’

Die vraag geldt wat haar betreft ook nadrukkelijk voor de binnenstad. ‘De grachtengordel heeft stedenbouwkundige en monumentale topkwaliteit. Tot en met de jaren zestig heeft iedereen daar het beste van zijn eigen tijd aan toegevoegd. Maar in een reactie op de lelijke verstoringen van de jaren zeventig lijken we nu wel heel behoudend te worden. Als er nu iets wordt vervangen of toegevoegd, durven we dan nog eens iets te maken uit onze eigen tijd? Kleinschalig natuurlijk, passend in de verkaveling. Of gaan we de ontwikkeling van de binnenstad helemaal bevriezen? Dat is een discussie over authenticiteit.’

De authenticiteitsvraag ziet ze graag overal aan de orde komen, tot in de Vinexwijken toe. ‘Die nieuwe waterpartijen en bebouwingslinten maken nu ook deel uit van onze cultuurgeschiedenis. Maar laten we dus niet, zoals in Frankrijk, alléén maar willen behouden, of oude successen herbouwen. Ik ben iets milder geworden in mijn retro-allergie. Gesloten bouwblokken in een 19e eeuws idioom bijvoorbeeld, zoals die in de Amsterdamse Czaar Peterbuurt, zijn geloofwaardig. Net als de heruitvinding van bepaalde typen doorzonwoningen. We moeten vooral uitkijken voor nep: de indruk dat iets ernaast heeft gelegen.’

 

dichtkitten

Haar ruimtelijke interesse heeft zich nooit versmald tot Amsterdam. Ze trekt er nog altijd graag op uit (‘met de ov-fiets, ideaal’) om nieuwe plekken in Nederland te ervaren. Eén favoriet beeld kan ze niet noemen. ‘Ik heb er zoveel! De Wijnstraat in Dordrecht, waar oude panden zijn gerestaureerd in Dordtse kleuren. De heuvels en uiterwaarden bij Rhenen. Maar ook de nieuwe IJ-oevers hier, gezien vanaf het water, met het Muziekgebouw en het getransformeerde Kraanspoor.’     

Gevraagd naar haar grootste ruimtelijke ergernissen, noemt ze er twee. ‘Het dichtkitten van het landschap langs de snelwegen, met die vreselijke dozen. En het verkneuteren van oude binnensteden, met koperen bankjes en aaibare beelden.’ 

Welstand heeft tot taak, bestuurders en bewoners voor ruimtelijke vergissingen en onkunde te behoeden, vindt ze. ‘Wij moeten veel meer duidelijk maken wat we doen en waarom. Een vorm van educatie ja, net als met de appreciatie van schilderijen. Het lijkt om opvattingen te gaan, maar het gaat ook vaak om kennis. Dat is het grote misverstand over welstand.’