Waar balkon en bel-etage vandaan komen

Een cultuurhistorische en taalkundige reconstructie van het Nederlandse huis


boekbespreking

Huis, tuin en keuken/Wonen in woorden door de eeuwen heen, door MaartenJan Hoekstra. Uitgeverij Atlas, 256 blz. € 19,90. ISBN 978 90 450 0083 1


Waardering: vijf sterren (van vijf)


verschenen in De Volkskrant, 8 mei 2009 onder de kop ‘Wat mok en mokkel met elkaar te maken hebben’

copyright Carien Overdijk


Op de eerste pagina’s schuilt de prehistorische mens in kuilen en holen. Even later knutselt hij uit takken en bladeren al een primitieve hut, om daarna de eerste bouwconstructie te verzinnen. Dit hallenhuis (4500 voor Christus) is minder voornaam dan het klinkt: een kaal hok, omhuld door palen, gevlochten takken en een strooien dak.

Huis, tuin en keuken leest als een versneld afgedraaide film. In dit goed gedocumenteerde relaas zijn mensen vage figuranten, die de hele evolutie doormaken van de primitiefste onderkomens naar de hoogbouw en de Vinexwijken van nu. De hoofdrol is voor het Nederlandse huis. En voor alle etymologie die daar maar enigszins naar verwijst.

MaartenJan Hoekstra kon dit boek schrijven omdat hij taal- en bouwkunde studeerde, ‘disciplines die’, volgens zijn nawoord, ‘beide proberen orde te scheppen in de chaotische wereld.’


van hol naar hal

Orde scheppen kan de auteur zelf ook. Trefzeker overspant hij eeuwen Nederlandse wooncultuur. Hij vlecht de geschiedenis van het idioom er zó doorheen, dat je als lezer moeiteloos de verwantschap tussen hol, hel, helen, hullen en inderdaad, ook hal en hallenhuis tot je neemt. Evenals het feit dat zaal niet alleen bij salon hoort, maar ook bij gezel (oorspronkelijk: huisgenoot) en gezellig. Kantoor komt via het Franse comptoir trouwens van het Latijnse computare, tellen. Maar bel-etage is nep-Frans, een kakkineus Hollands verzinsel.

Hoekstra’s aspiratie ‘dat dit boek meer is dan alleen een bouw- en taalkundeboek’ heeft hij royaal waargemaakt. Het is een compacte cultuurgeschiedenis, waarin bouwstijlen - geïllustreerd met foto’s en plattegronden – elkaar logisch opvolgen. Hoekstra beargumenteert hun opkomst en ondergang, maar toont ook hoezeer ze overlappen, en beschrijft, knap gecondenseerd, het relevante ruimtelijke beleid, de geopolitiek en internationale bouwinvloeden.

Zo valt elk detail op zijn plaats. Het balkon zeilt ons land binnen met de renaissance, al is het dan nog een uitstulpende kroonlijst (balcone is Italiaans voor ‘grote balk’). De tegelkachel (dubbelop, want afgeleid van Duitse Kacheln, tegels) komt van de Habsburgers, de dukdalf van de contrareformatie (duc d’Albe, hertog van Alva).

Nergens verliest het boek de grote, chronologische lijn. Wie zich afvraagt wat er in huis nog afstamt van de oude Romeinen, hoe de kamer-en-suite uit de gratie raakte, welk waanidee ons galerijflats bezorgde of waarom we in Nederland zo uniform wonen, kan hier ook terecht. Dat de woonboot en de cataloguswoning ontbreken, is bij deze doorwrochte opzet slechts een schoonheidsfoutje.


mok en mokkel

Op de taalkundige wortels van verwante setjes als terp-dorp, hof-hoeve, pui-podium, krot-grot en lift-lucht kickt vast niet iedereen. Maar de herkomst van bijvoorbeeld galerij, balustrade, ledikant, makelaar, poef en plee zijn geheide ijsbrekers. De relatie tussen mok en mokkel trouwens ook.

Vooruit, ééntje alvast: ‘Plee was een zeer deftig woord (…) Een vernederlandst plaît-il,’ waarmee men in Frankrijk de gasten ‘het privaat wees’.