Wij zijn allemaal proletariers


Peter Cuyvers, Het proletarische gezin/De toekomst van de vrouwelijke kostwinner. Scriptum, 240 pagina’s. ISBN 978 90 5594 5337


copyright Carien Overdijk

verschenen in De Volkskrant 10 oktober 2008


Vrije burgers? We zijn bijna allemaal dagloner, stelt pedagoog Peter Cuyvers verrassend in Het proletarische gezin. Een proletariër (letterlijk: bezitloze, met alleen proles, nageslacht) moet zich verhuren om te kunnen eten. Dat geldt dus niet alleen voor de bouwvakker of het winkelmeisje, maar ook voor vrije-beroepers en voor advocaten die dure uren schrijven.

Het geldt zelfs, vindt Cuyvers, voor grootverdieners die viermaal de JP-norm binnenslepen. Die zijn toch ook niet vrijgesteld? Ook zij moeten zich toch decennialang verhuren voordat ze kunnen leven van hun bezit?

Onze proletarische maatschappij is een relatief jong verschijnsel, aldus de pedagoog, die na veertien jaar bij de Gezinsraad in 2000 een eigen adviesbureau begon. In een vaak geestig en erudiet betoog voert hij de lezer eerst naar het pre-industriële tijdperk, met een middenklasse (boeren, ambachtslieden en handelaren) die leefde van eigen grond en kapitaal. Dat vereiste een langetermijn-oriëntatie, waarbij kinderen dienden om voor volgende generaties het familiebezit en de bijbehorende tradities in stand te houden.


Wij dagloners, zegt Cuyvers, hebben die zorg om bezit en tradities niet meer, en consumeren er dus lustig op los. Onze kinderen laten we vrijer, want zij moeten zelfredzaam worden, in een beweeglijke, multiculturele maatschappij waar ook zij hun werkkracht weer hun halve leven in dienst zullen stellen van derden.

De auteur kraakt de spookverhalen over de teloorgang van het gezin en de verloedering van de maatschappij. Nederlandse gezinnen zijn stabieler dan ooit, stelt hij. ‘Er zijn minder eenouder- en stiefgezinnen dan honderd jaar geleden, en meer dan negentig procent van de kinderen wordt volwassen in een standaardgezin, bij hun twee biologische ouders.’

Beschaafd zijn wij proletariërs ook. Wij staan ‘vreedzaam urenlang in de rij om een paar minuten in een attractie te mogen.’ We weten de schaarse openbare ruimte meestal harmonieus met elkaar te delen. Als ware levenskunstenaars kunnen wij, beter dan onze voorvaderen, omgaan met beperkingen.

Onbeschoftheid is de uitzondering, en die komt in alle kringen voor. Ook bij wat de auteur pesterig de aso-lite noemt, de elite van ‘aristocratisch-socialistische’ hoger opgeleiden. Ter illustratie volgt een sprekende scène met een academicus die, in de anonimiteit van zijn stedelijke bestaan, zijn kinderen op een druk terras laat rondrennen. Als de serveerster klaagt over omgevallen biertjes, bekt vader haar met dure woorden af.


De auteur is kritisch over rechts-reactionaire opvattingen, maar net zo goed over het linkse emancipatiedenken. Zelf vader van zes kinderen (maar wel uit één nest), overgestapt van PvdA naar CDA en van ambtenarij naar zelfstandig ondernemerschap, belijdt hij een ander soort cultuuroptimisme, dat lijkt te passen bij zijn levensloop.

Cuyvers heeft op veel punten gewoon gelijk. Maar soms beantwoordt hij het maatschappelijke doemdenken met een staaltje reframing dat er in eenzijdigheid niet voor onderdoet.

Hij scheert bijvoorbeeld alle dagloners over één kam, en veronderstelt dat hun primaire loyaliteit bij het gezin ligt. ‘Je werk is niet je eigen werk (…) je bent vervangbaar, een ingehuurde boedelbak. Of je nu bondscoach bent of bordenwasser.’ En, voert hij aan, ouders besteden toch ook meer tijd aan hun kinderen dan ooit?

Zo maakt Cuyvers van het gezin een heilzaam proletarisch toevluchtsoord. En als werkgevers nou maar met een guller ouderschapsverlof over de brug komen, maken de ouders onderling wel uit hoeveel ieder werkt en zorgt, en is de emancipatie ook voltooid.


De auteur miskent dat veel mensen hun werk minstens zo sterk koesteren als hun kinderen. Het daglonerschap biedt – nu de banden met kerk en familie zijn verwaterd – een belangrijk sociaal netwerk, maar verschaft bovendien zingeving en identiteit. Betaald werk concurreert daarom keihard met zorgtaken. Dat hedendaagse ouders veel tijd in hun kinderen steken is bittere noodzaak, want het oude vangnet van grootouders, verdere familie en buren is meestal niet meer voorhanden.

Toch is dit boek een slijpsteen voor links én rechts. Het bevat frisse observaties over de voorbije kleinburgerlijkheid (heilloze imitatie-aristocratie), de onuitroeibaarheid van religie (maar onschadelijk in de moderne, ontkerkelijkte vorm) en radicalisme en terrorisme (verdwijnen uiteindelijk vanzelf, als ook elders het op geld beluste proletariaat de agrarische maatschappij overvleugelt).

Een populistische vertolking van dit soort gedachten zou zelfs als tegengif kunnen dienen voor het al te zwarte toekomstbeeld van politieke rattenvangers.