Het uitdrukken van emoties bij mens en dier, Charles Darwin, uitgeverij Nieuwezijds
copyright Carien Overdijk
verschenen in De Volkskrant, 19 juni 2009
waardering: vijf sterren (van vijf)
Voor zijn baanbrekende Het uitdrukken van emoties bij mens en dier (1872) gebruikte Darwin ook zichzelf, zijn kinderen en de droef afhangende oren van zijn hond als onderzoeksobject.
‘Het geluid bij het lachen wordt voortgebracht door een diepe inademing, gevolgd door korte, onderbroken en krampachtige samentrekkingen van de borstkas (…) Door het geschud van het lichaam gaat het hoofd knikken. Vaak trilt de onderkaak op en neer, zoals (…) bij sommige bavianen als ze erg tevreden zijn.’
Een fragment uit Darwins pagina’s lange analyse van de lach. Deze eigen waarneming is, zoals overal in Het uitdrukken van emoties bij mens en dier, ingebed in een minutieus totaalbeeld op basis van alle bronnen die hij maar kon aanboren.
Darwin gaat te rade bij artsen, bij foto’s, bij reacties van proefpersonen daar weer op. Hij laat testjes uitvoeren, speurt in dierentuinen en bij ‘idioten’ en ‘imbecielen’, gebruikt ook zichzelf, zijn kinderen en huisdieren (‘de droef afhangende oren van mijn hond’) als onderzoeksobjecten. Ook correspondeert hij met zendelingen en buitenlandse wetenschappers over andere rassen.
noodvlag
De causeur die Darwin ook was, voert de lezer moeiteloos langs acht stemmingscategorieën. ‘Een jongedame die niet uit haar woorden kon komen (…) hees elke keer de noodvlag’, schrijft hij bijvoorbeeld over een meisje dat steeds onwillekeurig de door hem ontdekte ‘verdrietsspieren’ in haar voorhoofd aanspant. Gedateerde curiositeiten zijn er ook. ‘Een heer, die ik kan vertrouwen, (…) was ooggetuige van het volgende voorval’, waarna een anekdote volgt over een verlegen man die stemloos een speech afsteekt en daar beleefd applaus voor krijgt.
De vaak amusante tekst – bejubeld door grootheden als Oliver Sacks en Richard Dawkins - zou bijna verhullen dat dit werk, net als het dertien jaar eerdere Over het ontstaan van soorten een gedegen stuk wetenschap is, zoals de geannoteerde Ekman-editie (zie onder) uitwijst.
Darwins fenomenale kennis en waardenvrije denkvermogen compenseren de negentiende-eeuwse zijpaadjes. Als informanten hem vanuit Zuid-Afrika ‘verzekeren dat Kaffers nooit blozen’, vertaalt hij dit zorgvuldig in de aanname ‘dat er geen verandering van kleur is waar te nemen.’
kwispelen en blozen
Darwin distilleert uit zijn onderzoeksmateriaal drie principes: ingesleten nuttige gewoonten (zoals kwispelen, huilen), de onwillekeurige werking van het zenuwstelsel (blozen, schrikreacties) en de ‘antithese’, tegengestelde bewegingen voor dito gemoedstoestanden. Alleen dit laatste beginsel staat tegenwoordig nog ter discussie, en zelfs hiervan registreerde Darwin verrassende, nog onweersproken voorbeelden. Zo ontdekte hij dat de lachademhaling precies omgekeerd verloopt aan de huilademhaling.
Ook politiek blijft dit boek een mijlpaal. Het poneert niet alleen als eerste dat primaire emotionele reacties bij mensen aangeboren en rasonafhankelijk zijn (zoiets als een Aziatische ‘pokerface’ is aangeleerd, weten we inmiddels), maar ook dat ze parallel lopen met die van hogere diersoorten. Op het moment dat zijn evolutietheorie nog zwaar omstreden is, stelt Darwin hier al onbevangen vast dat ook sommige apen lachen en huilen.
Ook nu nog strijden wetenschappers onderling over dit vermeende antropomorfisme, hoewel veldonderzoek steeds opnieuw Darwins gelijk bevestigt. Als de grote geleerde ergens te voorbarig in was, dan in zijn optimisme over de verlichting.