Marinke Steenhuis en Fransje Hooimeijer (red.): Maakbaar landschap, Nederlandse Landschapsarchitectuur 1945 – 1970. NAI Uitgevers, Rotterdam 2009. ISBN 978 90 5662 700 3. 448 pagina’s, € 69,50
verschenen in Binnenlands Bestuur, 26 februari 2010
copyright Carien Overdijk
Tussen 1945 en 1970 krijgt het Nederlandse landschap zijn vorm. De wederopbouw is niet alleen de tijd van de grootschalige uitlegwijken rond de oude steden, maar ook van de eerste recreatiegebieden, grote waterwerken, het snelwegenlandschap en de agrarische ruilverkaveling.
In een magistraal overzichtswerk scheppen architectuurhistoricus Marinke Steenhuis en cultuurwetenschapper Fransje Hooimeijer een beeld van deze hervormingen. De collectie thematisch geordende essays is met drie kilo zelfs voor de salontafel aan de kloeke kant, maar het is ook een kijkfeest. Een keur aan (lucht)foto’s, landkaarten, ontwerpschetsen, posters en tekeningen typeert de ruimtelijke visies uit de wederopbouwperiode.
Landschapsarchitectuur was een nieuwe discipline, die werk afsnoepte van ingenieurs en van de voordien vooral romantisch georienteerde tuinontwerpers. Van de architectuurstroming het Nieuwe Bouwen nam de jonge garde ontwerpers het ‘licht, lucht en ruimte’-ideaal over, met zijn lange zichtlijnen en dogmatische geometrie.
Het toch al vlakke Nederland kreeg zo na de oorlog het Mondrianeske aanzicht dat nog altijd overheerst: strakke vlakken met functionele scheidingen. Men ontwierp in de eerste plaats decors. Aandacht voor cultuurhistorie of ecologie was zeldzaam. Onnut reliëf in het landschap werd glad-gebulldozerd, recreatieterreinen moesten bij ministerieel decreet uit gelijke delen weide, water en bos bestaan en woonwijken kregen messcherpe groenstroken.
gebogen lijnen
Het beeld van nutteloze grasvlaktes en saaie camouflage-bosranden (rond zorginstellingen, industrie en infrastructuur) krijgt in Maakbaar Landschap echter nuancering. Al in hun inleiding weerleggen de samenstellers dat alle wederopbouw-ontwerpers liefdeloos omgingen met het bestaande landschap. ‘Het modernisme als breuk met het verleden’ zou het historisch besef en de natuurliefde van de betere landschapsarchitecten tekort doen.
Ook de essays – naast bijdragen van de samenstellers zijn er stukken van een viertal andere architectuurhistorici en een landschapsarchitect – zijn vaak overtuigend positief. Ze tonen een fraaie inpassing van rijkswegen en waterwerken, parkbeplanting die dertig jaar na dato royaal het beoogde ‘natuurschoon’ oplevert, eigenzinnige gebogen lijnen als tegenwicht voor strakke nieuwbouw en zelfs grootschalige visies die een beekdal (Drentse Aa) of een stadsgezicht-annex-natuurzone (Bossche Broek) adequaat hebben beschermd.
Aandacht is er ook voor de huidige radicale ‘omkeringen’ van de ingrepen uit de wederopbouwtijd. De geuite kritiek op het primaat van ecologie en waterhuishouding bij de ontwikkeling van ‘nieuwe natuur’ lijkt echter vooral ingegeven door de cognitieve afstand tussen architectuurhistorici en de tegenwoordig juist goed samenwerkende ecologen en waterbouwingenieurs.
Zij die na de oorlog het landschap glad trokken, waren ironisch genoeg zelf meestal bioloog of landbouwingenieur. Ze waren gewoon in overheidsdienst, bij Staatsbosbeheer of bij gemeenten. De beschreven korte lijntjes tussen beleid, ontwerp, uitvoering en beheer moeten jaloersmakend zijn voor hedendaagse ambtenaren.
zweverig
Incidenten die de geoliede samenwerking tussen de verschillende overheden relativeren, staan echter ook opgetekend. Staatsbosbeheer dwarsboomde Rijkswaterstaat met het opkomende streven naar natuurbescherming. Anderzijds paste eerstgenoemde instantie, zelf verdeeld in ecologen en techneuten, ook zelfcensuur toe. Het ‘zweverige geschets’ van een collega van de afdeling Landschapsverzorging belandde al bij de eigen afdeling Verkeerswegen in de prullebak.