De Stad 2.0, door Jeb Brugmann. Vertaald uit het Engels door Karoline Bais. Business Contact, 354 pagina’s, € 32,50
ISBN 978 90 470 0249 9
waardering: vier sterren (van vijf)
Waarom mensen in de stad willen wonen/1200 – 2010, Leo Lucassen en Wim Willems (red.), Uitgeverij Bert Bakker, 332 pagina’s, € 24,95
ISBN 978 90 351 3512 3
verschenen in De Volkskrant, 15 januari 2010
copyright Carien Overdijk
‘Veel steden die na de oorlog uit de grond zijn gestampt (…) missen de charme van een historische kern’, schrijven de Nederlandse sociaal historici Lucassen en Willems in de essaybundel Waarom mensen in de stad willen wonen. ‘Het lukt hen vrijwel niet om dat gemis te compenseren.’
Dat slechte imago is echter relatief. Onze aangeharkte satellietsteden (denk aan Zoetermeer, Nieuwegein, Lelystad) hebben nu eenmaal de pech, te concurreren met een goed geconserveerd puikje van monumentale Europese stedenbouw. Vergelijk Nederland maar eens met Amerika, bepeinzen de auteurs, waar ‘het oude downtown van grote steden vaak bestaat uit een onzalige combinatie van wolkenkrabbers en getto’s.’
Van écht naargeestige stadsmilieus kan de prominente Amerikaanse planoloog Jeb Brugmann meepraten. In zijn veelomvattende De Stad 2.0 heeft hij nog wel killere varianten in de aanbieding dan downtown Amerika. Kuala Lumpur bijvoorbeeld, gedroomde ‘stad van wereldklasse’ voor opeenvolgende machthebbers. Sinds een kleine twintig jaar is dit oord ten prooi aan een blinde bouwdrift, waarbij de oude mahalle, kleine stadsbuurtjes, in hoog tempo worden weggevaagd. Op hun plek verrijst uniforme hoogbouw, afgewisseld met kitscharchitectuur en brede snelwegen. In veel andere Aziatische landen voltrekt zich een vergelijkbare kaalslag, zij het iets langzamer.
urbanisatie
De twee boeken over ‘de stad’ hebben op het eerste gezicht weinig gemeen. De essaybundel van eigen bodem, met Nwo- en Vrom-subsidie bijeengeschreven door ruim een dozijn historici en twee planologen, blikt terug op acht eeuwen urbanisatie in Nederland en Vlaanderen. Onze kabouterdelta zag eeuwenlang heel geleidelijk en beheerst de woonwijken en stadsparkjes aanklonteren, met soms gedurfde investeringen, soms een economische dip en tweemaal een drastische bevolkingskrimp, maar verder – bij inwonertallen die tot in de twintigste eeuw veelal ver onder de honderdduizend bleven - toch heel overzichtelijk.
De Stad 2.0 daarentegen is een visionaire analyse van de actuele, duizelingwekkende verstedelijking op alle continenten, de derde wereld voorop. In ontwikkelingslanden zal het stadsoppervlak in 2030 al verdriedubbeld zijn ten opzichte van het jaar 2000. Daarbij gaat het vooral om sloppenwijken, die rondom de talrijke miljoenensteden in een mensonterend en (ook letterlijk) moordend tempo doorwoekeren.
Ondanks die verschillen raken beide boeken aan het waarom van die dominante leefvorm voor de 21e eeuw. In 2050 woont het overgrote deel van de mensen in steden, óók in Nederland. Wat trekt mensen zo massaal naar de stad? En zijn die toekomstige mierenhopen straks nog bestuurbaar?
zelfredzaam
De ten onrechte naar hippie’s riekende titel Welcome to the urban revolution kreeg met De Stad 2.0 een rake vervanging. Planologisch adviseur Brugmann, kind aan huis bij de Wereldbank, de VN en een keur aan metropolen op verschillende continenten, biedt een fundamentele herziening van het begrip stad. Zijn rijpe betoog gaat verder dan de populaire revitaliseringskunsten van stadsgoeroes Richard Florida en Charles Landry.
Via levendige reportages en interviews geeft Brugmann zijn beeld van stedelijkheid of urbanisme. Terwijl planologen en stedenbouwkundigen stedelijkheid meestal gelijkstellen aan een bepaalde bebouwings- en bevolkingsdichtheid, betoogt Brugmann dat ware stedelijkheid alleen ontstaat uit intensieve sociale en economische relaties tussen zelfredzame individuen. De illegale krottenwijken van de derde wereld staan in De Stad 2.0 verrassend model voor die vitale vormen van interactie.
Zo voert de auteur de lezer door de krappe steegjes van Mumbai’s Dharavi. In deze sloppenwijk-in-transitie hebben nauwelijks twee generaties straatarme plattelandsmigranten bloeiende industrieën (kleding, leer, juwelen) opgebouwd. Toeleveranciers, producenten en handelaren profiteren van elkaars nabijheid en vertrouwen, de zevenhonderdduizend wijkbewoners hebben er hun zelfgebouwde werkplaatsjes en winkels allemaal op loopafstand. Het stadsbestuur is helaas wel alle controle over dit stadsdeel kwijt, zodat ook criminelen er vrij spel hebben.
ketenmigranten
Dharavi is een voorloper van de wereldwijde stedenexplosie. Miljoenen plattelanders trokken de afgelopen decennia naar de stad om werk te zoeken, vaak in het kielzog van pionierende familieleden of dorpsgenoten. Zelfs de schamele twee dollar voor een twaalfurige productiedag in een fabriek is tegenwoordig al lucratiever dan het hongerloon voor landarbeid.
Hun zelfgebouwde onderkomens zijn illegaal, hun leefomstandigheden erbarmelijk, maar uitzichtloos achten deze ‘ketenmigranten’ hun stadsleven toch niet. Zo stuurt het echtpaar dat dagelijks ploetert in een Indiase baksteenfabriek hun tienerzoon erop uit om in naburige winkeltjes gratis zijn diensten aan te bieden. Daar, hopen ze, zal hij leren om een eigen zaakje op te zetten.
Ook in westerse steden signaleert Brugmann zo’n onderklasse van illegale, maar uiterst inventieve, productieve en hoopvolle migranten. In zijn woonplaats Toronto oogstten ze zelfs regenwormen uit de stadsparken, totdat de gazons zo verslechterden dat het stadsbestuur ingreep.
Een echt urbane stad, hoe chaotisch en armoedig ook, is voor nieuwkomers een emancipatiemachine en biedt alle bewoners ruimte voor ‘zelfbedachte strategieën’, betoogt Brugmann. Zo’n leefmilieu genereert naast technische en artistieke innovaties ook sociale hervormingen ‘van onderop’, zoals de Amerikaanse milieuwetgeving (een experiment uit Irvine, Californië), een revolutionair ov-systeem (Curitiba, Brazilië) of een unieke vorm van economisch stadsherstel (Chicago). Op wat kleinere schaal ontwaart Brugmann overigens vooral in Europa mooie vormen van urbanisme.
parallelle organisaties
Tekentafelplanologie, met zijn voorgekookte woonwijken-annex-winkelcentra, slaat het initiatiefrijke urbanisme dood, aldus de planoloog. Ook ageert hij tegen de formele economie die zich afkeert van de onderklasse: ‘Waar wij falen om de groei van de industrie te verbinden met een progressief urbanisme kan (…) criminaliteit welig tieren.’ Om vervolgens te beschrijven hoe drugshandel, smokkelketens en andere mafiose praktijken zich vanuit kleine stedelijke kernen tot grote ‘parallelle’, vaak internationale organisaties hebben ontwikkeld.
En zo versmelt het stedelijke leefpatroon, geholpen door eigentijdse telecommunicatie, tot wat de auteur de Stad noemt, ‘een convergerend systeem dat de mondiale economie en politiek herordent.’ Deze autonome ‘revolutie’ blijft in het boek verder echter een abstractie, zonder beschouwing van de rol van internet en mobieltjes in het stedelijke leefpatroon.
Liever benadrukt de auteur het belang van lokale binding en loyaliteit. Als autoriteiten de conflicterende strategieën van hun stedelijke gemeenschappen (etnische groepen, armen en rijken, hoog- en laagopgeleiden) op lokaal niveau harmoniseren, dan blijft de stad leefbaar. Brugmann’s voorbeelden tonen stadsbesturen die uitblinken in balanceerkunst en bemiddelingsvaardigheden.
overlevingsmechanisme
Bij zo’n wereldomvattend en actueel boek mag de essaybundel van Lucassen en Willems bescheiden afsteken, de thematiek loopt verrassend parallel. De miniatuur-verstedelijking van de Nederlanden, laat begonnen in de tiende eeuw en net als elders in Europa in de 19e eeuw flink opgestuwd door de industrialisering, vertoont dezelfde patronen van ketenmigratie, specialisatie, verpaupering, krimp, stadsvernieuwing en netwerkvorming die zich in De Stad 2.0 op veel grotere schaal aftekenen. It’s the economy, stupid, bewijzen beide boeken. De trek naar de steden is nu, net als vroeger, primair een overlevingsmechanisme.
Waarom mensen in de stad willen wonen bevat lezenswaardige beschouwingen over de lokale middeleeuwse en latere migratiepolitiek (bedelaars werden geëxporteerd, armen gedoseerd via onderlinge steunregelingen, ambachtslieden en rijken actief geworven), de morele waardering van de stad door de eeuwen heen (van poel des verderfs tot beschavingsinstituut), de wijze waarop steden zich al vroeg cultureel hebben geprofileerd, en over city-marketing avant la lettre. Den Haag investeerde in de 19e eeuw zwaar in kunst en cultuur en trok daarmee massa’s rijke nieuwkomers. Terwijl Amsterdam en Rotterdam deze politiek principieel afwezen, wisten steden als Arnhem, Nijmegen en Haarlem hem succesvol te kopiëren.
autonomie
De lange historische lijnen monden soms uit in een politieke stellingname. Zo benadrukken diverse auteurs de teloorgang van de lokale bestuurlijke autonomie die de Nederlandse steden gezond en sterk maakte.
De planoloog Boelens en de architectuurhistoricus Taverne hebben echter meer oog voor de sociale en economische relaties tussen de Nedervlaamse steden. Die hebben zich allang tot één centrumloze metropool gevormd, is de aanname, analoog aan de stedelijke netwerken rond de mondingen van Ganges, Nijl en Pearl River. Boelens en Taverne verwijten de Nederlandse regering een blinde vlek voor de uitzonderlijke historische welvaartsgroei in de zogeheten Eurodelta (de regio van Amsterdam tot Brussel). Die welvaart zou nu stagneren door de landsgrenzen. ‘De Randstad blijft autistisch naar zichzelf staren.’