Word je, als tweeverdiener met kinderen in het westen des lands, op een dag vanzelf wakker in een Vinexwijk? Niks daarvan. Je kunt ook wonen op een schip, op een eiland, in een watertoren of in een hol.


Wild wonen

vier reportages uit het volle westen des lands


verschenen in Intermediair op 7 maart 2002

copyright Carien Overdijk


Soms knaagt er iets. Je werkt allebei hard, je hebt samen een heel aardig inkomen, en toch woon je in dat volgeplempte wijkje van dertien in een dozijn. Je tuin heeft het formaat van drie keer languit vallen en aan alle kanten kijken de buren naar binnen. Voor de deur staat de onvermijdelijke wipkip. Drie straten verder zijn de supermarkt en de basisschool en ook de rest is akelig voorspelbaar. Egalitair Nederland heeft alle gezinnen keurig weggezet in dichtopeengedrongen, voorgeprogrammeerde slagordes.

Alle? Een kleine minderheid biedt dapper weerstand aan de krapte en de uniformiteit. Zij wonen vrij, stil en romantisch. Van hun soort huis is er maar een. Hun kinderen en dieren hebben ruimte in overvloed. De drukke randstad is onder handbereik, en toch zijn hun woonlasten niet bovenmodaal.

Wat onderscheidt hen? Misschien dit: hun fantasie en hun flexibiliteit. Wie anders wil wonen, moet anders denken, anders kijken en zijn levensstijl aanpassen. Zo zagen twee Leidenaars een gouden kans toen de makelaar hen een moeilijk verkoopbaar object aanbood. Een aardig boerderijtje, maar ‘heel slecht bereikbaar’.

Zo’n kans zag ook een jong stel in Haarlem. Een vriend bood deze kamerbewoners zijn vrachtschip aan: prachtig gelegen in het groen, maar verstoken van alle basisvoorzieningen. ‘Jullie gaan luxe kamperen’, huiverden de bezorgde ouders van de twee.

Menigeen zal ook hebben gerild van het karkas dat twee Amsterdammers durfden te kopen. Van buiten was de watertoren een sfeervol monument, van binnen een schimmelende woestenij van baksteen en beton. En tenslotte is er de waarlijk visionaire kracht van twee West-Brabanders. Zij bedachten en groeven hun huis zelf, in een heuvel.

Niet alle woonpioniers in deze reportage hebben aan de wet gehoorzaamd. Het heuvelhuis was bijna tien jaar illegaal, het vrachtschip is dat al meer dan twintig jaar. Wel hielden de illegale bewoners zich aan hun eigen principes: energiezuinig wonen, de natuur niet verstoren. Die Pietje Bell-mentaliteit wordt beloond. De heuvelbewoners en de kanaalbewoners hebben, ieder op hun eigen manier, legalisering onvermijdelijk gemaakt.

Om de kosten hoeft niemand het te laten. Het vrachtschip en de eilandboerderij zijn niet duurder dan een modaal rijtjeshuis, de holwoning is zelfs veel goedkoper. Het vrije uitzicht, de onmetelijke ruimte en het groen zijn daar allemaal bij ingebegrepen. Alleen de watertoren viel na verbouwing duurder uit – prijsniveau halfvrijstaande villa - maar daar passen dan ook met gemak drie gezinnen in.

Woonpioniers maken wel rare dingen mee. De jonge Newfoundlander die de eilanders speciaal aanschaften om zonodig hun kinderen uit de rivier te redden, vrat de kippen op, zwom de rivier over en joeg aan de overzijde achter de schapen aan. Toen de kleintjes daadwerkelijk in het water vielen waren het hun ouders die hen eruit visten. ‘Dat overkomt ze geen tweede keer’, weten ze nu. De reddingshond had niet gehoeven.

De scheepsbewoners moeten iedere vijf jaar met hun huis ‘de helling op’, voor onderhoud. Dan wonen ze in een dok bij Zaandam, en gaan ze dagelijks naar hun erfje om hun dieren te verzorgen. Toen hun kinderen nog klein waren, namen ze die niet mee, uit vrees voor een trauma. ‘Zo vervreemdend, als je je tuin in komt en je huis is weg.’



Ponyrijden in het bos: de holwoning

In de grond, aan de rand van een bos bij Etten-Leur, huizen Frank Siegmund (55) en Marja Somers (44) met de kinderen Joy, Gaia en Jonathan (16, 14 en 7), plus pony, hond en vier katten. Frank bouwde het honingraatvormige houten huis eigenhandig in een zandheuvel. De eerste kamer groef hij 23 jaar geleden met een spade. De rest kwam er later geleidelijk bij. Nu telt het complex zes kamers, een keuken en een royale badkamer. Nergens een rechte hoek, hier een treetje omlaag, daar weer omhoog. Licht valt binnen door dakramen, maar er zijn ook ruiten in de zijkanten van de heuvel. ’s Zomers is het huis een halve meter hoger. De planten schieten dan hoog op.

Jarenlang had niemand iets in de gaten. ‘Zelfs de buurvrouw niet’, lacht Frank (kunstacademie, mts bouwkunde en timmeropleiding). ‘Ze kende me wel, omdat ik op deze plek destijds een biologisch-dynamisch tuinbouwbedrijf had. Maar dat er in die groene hoop een huis zat, wist ze niet.’ Ook de gemeente ontdekte hen pas toen ze al een gezin met baby waren. ‘Dat kon natuurlijk niet. We voldeden aan geen enkele bouwverordening. We hadden het geluk dat de pers er toen ook aandacht aan besteedde. We kregen steunbetuigingen uit het hele land. Stapels post, gericht aan holwoning Etten-Leur’, herinnert Frank zich. ‘En ik had geen vechthouding. Als jullie ons weg willen hebben, ruimen we de boel gewoon op, zei ik. Dat heeft misschien de doorslag gegeven. De ambtenaren zochten echt naar een manier om ons een vergunning te geven. Uiteindelijk moest ik een nieuwe badkamer bouwen en deuren tussen de ruimtes plaatsen. Toen mochten we blijven.’

Het huis is bij toeval ontstaan. ‘Ik had hier destijds ook een houtzagerij. De vijver hiernaast diende om de boomstammen in te dompelen, een oude conserveermethode. De heuvel is de grond uit de vijver. Ik groef de eerste kamer als logeerruimte voor onze medewerkers. Ik maakte een gat, stortte er beton in en zette er boomstammen in rechtop. Muren getimmerd, dak erop en de grond er weer overheen. Het resultaat, met een houtkacheltje erin, beviel me wel. Ik ben er al snel zelf gaan wonen.’

Later bracht de liefde Marja naar de holwoning. ‘Ik kwam uit Breda, zat in de verpleging, dus het was een hele omschakeling. Maar ik vond het hier geweldig. Ik heb mijn stadse leven opgegeven en ben hier aan de slag gegaan met een grote moestuin en een paar geiten en kippen. Het was ook een zegen om de kinderen hier te kunnen opvoeden, zo natuurlijk en beschermd.’

In de loop der jaren veranderde er veel. De tuinderij, de houtzagerij en de geiten verdwenen. De Siegmunds kochten ruim een halve hectare grond rondom hun heuvel. Frank startte een meubelwerkplaats en schakelde later over op maquettebouw. Nu fabriceert hij in de heuvel modellen voor architecten en musea met behulp van de computer.

In de knusse boomstammen-huiskamer (zonnecollector op het dak, ruiten vier lagen dik, warmteleidingen in de muren) vertelt Marja dat het gezin in een nieuwe fase verkeert. ‘We zijn meer op de buitenwereld gericht. Ik ben weer gaan werken, nu als begeleider van verstandelijk gehandicapten, en ik volg een studie aan de hogeschool Brabant. De oudste kinderen fietsen zelf naar school. En Joy wil uit in het weekend. Voor haar is het nu lastig dat we zo afgelegen wonen. Frank rijdt haar ’s nachts tegemoet, zodat ze niet in haar eentje door het bos hoeft.’

Terug naar de stad? Ze piekeren er niet over. ‘West-Brabant groeit helemaal dicht’, weet Marja. ‘Dit vinden we nergens meer. De kinderen rijden hier pony door het bos. Gaia wil in het voorjaar kippen gaan houden.’



Baden en fonteinen: de watertoren

Lilian (35) en Marc (37) Speeckaert maakten anderhalf jaar geleden met Bo (nu 2) een megasprong. Ze gingen van zestig vierkante meter in de Amsterdamse Watergraafsmeer naar het tienvoudige in de watertoren van Kwadijk, vlakbij Purmerend. Bij hun achthoekige monument, 45 meter hoog, hoort bijna een halve hectare grond.

Ik kom van een boerderij en Marc uit België’ vertelt Lilian, sales manager bij Hewlett Packard. ‘Dus we zijn ruimte gewend. Na jaren in Amsterdam wilden we ook graag weer wat groen om ons heen. Maar een ruime, betaalbare woning vind je in deze regio niet.’

Ze gingen zich breder oriënteren, keken ook naar afwijkende objecten. Op een dag lazen ze in het krantje van de Nederlandse Watertoren Stichting dat er in de randstad vijf torens te koop kwamen met een woonbestemming.

Wij vonden deze het mooist’, vertelt Lilian in haar royale woonkamer op de zevende etage, van waaruit bij mooi weer het IJsselmeer te zien is. ‘Maar we wisten dat er veel concurrentie was. Wie het beste verbouwingsplan had mocht de toren kopen. Daar hebben we dus veel energie in gestoken. We wilden per se winnen.’ Ze wonnen, maar pas vier jaar en een helse verbouwing later konden ze de toren betrekken.

Delen van de oude bassins zijn verwerkt in de inrichting. Zo ontstonden er twee ‘natte’ etages. De een is voorzien van allerlei soorten baden en een sauna, de ander heeft een binnentuin, met vijvers, bruggetjes en fonteinen. Verder is er een slaapetage, een logeeretage, een speeletage (‘we willen nog meer kinderen’), een bergetage en een koepelzolder die nog geen bestemming heeft. De tuinkamer beneden dient als zomerverblijf. Het aangrenzende vlonder, dat uitkijkt over weilanden, hebben ze net afgetimmerd. Lilian (‘ik ben dol op symmetrie’) ontwierp een deel van het interieur zelf. Een glazen lift is de spil van de toren.

De twee fulltimers, met Filippijnse au pair, kregen hun verticale paleis niet cadeau. Alle vrije uurtjes buiten Marcs lange werkdagen in zijn eigen importbedrijf en die van Lilian bij HP verdwenen in de toren. Eerst hanteerde Marc vijf maanden lang de slopershamer, terwijl Lilian beneden het puin uit de stortkoker in een kruiwagen laadde en afvoerde. ‘In de weekends stonden we om zes uur op. Dan gingen we met een doos eten naar de toren en bleven we er tot zes, zeven uur ‘s avonds.’

Omdat de lift als laatste geïnstalleerd werd, was efficiency geboden. Trappenlopen maakte de aannemer duur. De echtelieden kochten zelf bouwmaterialen in, takelden ze omhoog en zwoegden mee. ‘Ik heb dagenlang stenen lopen doorgeven, laddertje op, laddertje af. Ook hebben we heel consequent opgeruimd achter de bouwers aan’, vertelt Lilian. ‘Elk weekend maakten we van boven naar beneden de verdiepingen schoon. Ik geloof dat een schone bouwplaats heel stimulerend is. De bouwvakkers kregen respect voor ons object en ze leerden onze normen kennen.’

Hun normen behelzen ook dat luxe niet vanzelfsprekend is. ‘Onze kinderen groeien straks heel anders op dan wij. We maken er weleens grapjes over, dat Bo bijvoorbeeld aan een vriendje vraagt: waar is jullie lift, jullie speeletage? We denken hard na over hoe we de kinderen hiermee zullen opvoeden.’

Het is nog wennen dat hun huis zo opvalt. Er bellen regelmatig vreemden aan, die vragen of de toren te bezichtigen is. ‘Sommigen lopen met fiets en al de hal in als de voordeur open staat. Laatst stapten er zelfs onbekenden zo uit de lift de woonkamer in. We moeten aan de weg maar een bordje gaan plaatsen, met informatie.’



Geen gas en licht: het vrachtschip

Volgens de overheid wonen Marijke Warnaar (43), René Kool (43) en hun kinderen Matthys (14) en Hedri (12) nergens. Hun vertimmerde, oude marinevrachtschip ligt afgemeerd in een doodlopend kanaal bij Spaarndam. Het schip heeft geen officiële ligplaats, noch aansluitingen voor water, gas of electriciteit. Het tuintje dat het gezin aan de wal inrichtte, met schuur en kippenhok, is openbaar gebied.

We worden gedoogd’, vertelt Marijke, projectleider van de Spaarndamse tieneropvang en daarnaast werkzaam in de naschoolse opvang. ‘We wonen hier al twintig jaar, maar pas drie jaar geleden is het eerste bestemmingsplan opgesteld. Diverse overheden willen ons graag kwijt, maar het ziet ernaar uit dat we uiteindelijk mogen blijven.’ En met hen de andere kanaalbewoners.

Het zogeheten Zijkanaal B ligt in weelderig groen naast een fort van de Hollandse waterlinie. Overheden bekvechten al jaren over deze plek, die gestaag verandert en voller wordt. Was de botenrij oorspronkelijk een alternatieve leefgemeenschap, nu komen er steeds meer recreanten en speculanten bij. Mensen ‘kopen’ een ligplaats van vertrekkers, leggen er een luxe woonark neer, en egaliseren een stuk grond met tuinaarde.

Vroeg of laat slorpt de ruimtelijke ordening de resterende wildernis op. ‘Dan komt er gas, water en licht, en verdwijnt de vrijheid’, vreest René, die als senior engineer bij KPN werkt. ‘We zijn nu zelfvoorzienend. Eens per acht weken komt de waterboot, en verder hebben we een aggregaat en een windmolen. We verbruiken zo weinig mogelijk. We hebben het jaren zonder geiser gedaan, en pas onlangs kregen we 220 volt via een omvormer. Dat was onvermijdelijk, want de kinderen hadden voor school een computer nodig en het wegbrengen van de was werd te zwaar.’

Jarenlang fietste Marijke de was op en neer naar het naburige Haarlem. ‘Bepakt als een kameel, op zo’n ouwe jezusfiets’, grijnst René. ‘Ik had de bagagedrager verlengd. Soms buitelde ze achterover.’ Toen Marijke last van haar knieën kreeg kochten ze een autootje. Maar ook het viermaal vouwen van de was werd teveel. Nu is er een wasmachine aan boord.

Hun levensstijl blijft sober. ‘Ik was al geen tv-kijker’, vertelt Marijke. ‘Maar als je eerst het aggregaat moet starten denk je wel twee keer na of je iets echt wilt zien. Nu hebben we 220, maar we blijven zuinig. Ook met het drinkwater, want dat kan op. We wassen trouwens met hemelwater en lozen het afvalwater op het kanaal via een helofytenfilter.’

In de zomer hebben ze veel aanloop. ‘De slotgracht om het fort is heel schoon, mensen komen hier graag zwemmen. Ze vinden de rust en de ruimte idyllisch, maar ze beseffen niet altijd dat hier wonen ook veel tijd kost. Als het stormt moet ik rondjes om de boot maken om de lijnen te controleren. En het aggregaat en de kachel vallen nogal eens uit. Het is een continue zorg. De kachel kunnen we alleen samen aan de praat krijgen. ‘s Winters ga ik er direct van mijn werk voor naar huis, anders paraffineert de leiding en bevriest het water.’

Er staat veel tegenover. ‘Bij mooi weer liggen we met een rosé’tje en een boek op de dijk’, vertelt René. ‘Je leeft buiten. De koeien komen tot aan onze zelfgemaakte houtwal. ‘s Nachts zijn er vleermuizen. Hedri geeft hier weleens klassenfeesten, dan maak ik een enorm kampvuur.’

Je hoort hier ’s winters het ijs groeien’, vult Marijke glunderend aan. ‘Dat tinkelt heel feeëriek. En ’s avonds is het stervensdonker. Als er iemand komt, hang ik kaarsenlampjes op langs het pad en in het stuurhuis.’

Een huis aan de wal? ‘Benauwend’, griezelt René. ‘Riante tuin op het zuiden, staat er weleens in de krant. Ga je kijken, zit er een piepklein gazonnetje ingeklemd tussen de Gamma-schuttingen.’ Marijke schatert.



Naar huis roeien: de eilandboerderij

Karel Diephuis (53) en Quirien van der Zijden (36) verruilden drie jaar geleden de Leidse binnenstad voor een boerderijtje ten oosten van de Leidse agglomeratie. Hun nieuwe stek, met ruim een hectare eigen grond, ligt op een soort eiland. Dat wil zeggen: om de rest van de wereld te bereiken moeten ze eerst de rivier de Does oversteken. Er is geen recht van overpad via de omliggende landerijen. Voor potentiële kopers gold dat kennelijk als een nadeel, want de koopsom van boerderij plus schuren, land, tractor en boten lag op het niveau van een rijtjeshuis.

Met Jip, Camille en Storm (15, 3 en 2), twee boten en een onlangs op maat gemaakt fietspontje zijn ze in hun dorp, Hoogmade, een bezienswaardigheid. ‘De mensen kijken vaak medelijdend naar ons. Zo van: dat zijn die arme mensen die altijd over het water heen en weer moeten,’ vertelt Karel, die in Den Haag werkt als adviseur in de jeugdzorg. ‘Ik moet bovendien, als ik aan de overkant ben, nog een half uur fietsen naar station Leiden Centraal, want een auto hebben we ook niet. Willen we ook niet. De twee jongsten neem ik twee dagen per week in de fietskar mee naar hun oppasadres in Leiden. Op andere dagen vaart Quirien ze over naar de peuterspeelzaal in het dorp.’

Karel en Quirien voelen zich allesbehalve zielig. Hun uitzicht is aan alle kanten weids en groen. Alleen een zachte gons van de onzichtbare A4 herinnert aan het dichtbevolkte gebied rond hun enclave. ‘We zijn hier één met de natuur’, vertelt Quirien, die ook in de jeugdzorg werkt, als freelance adviseur en projectmanager. ‘Dat wordt versterkt door het varen en het fietsen. We moeten altijd het weerbericht volgen, al was het maar om te weten of Jip zelf kan overroeien of niet. Je merkt hier ook veel meer van temperatuurs- en seizoenswisselingen. Je bent je bewuster van je omgeving, het leven is intenser dan in de stad.’

Het is hier prachtig’, vult Karel aan. ‘Ik vind het geweldig om met windkracht tien en een felle hagelbui de boot naar de overkant te krijgen. Je kleedt je er natuurlijk wel op. We hebben goede spullen, zoals dure, ademende regenpakken.’

Sinds hun verhuizing zijn ze veel meer buiten. ‘Er moet gras gemaaid, wilgen gesnoeid, appels geplukt. De boten moeten onderhouden worden. En dan zijn er nog de beesten. We hebben kippen, konijnen, katten en een hond.’

Hun leven is drastisch veranderd. ‘We hebben geen tijd meer voor kunst, cultuur en reizen’, erkent Quirien. ‘Maar dat missen we ook niet. We wonen al op ons vakantieadres, en we hebben hier tv en internet.’ Karel: ‘In de zomer kom ik thuis van mijn werk, gooi mijn kleren uit en spring in de Does. We hebben hier zoveel privacy. Dat heeft alleen een boer in Canada toch nog?’ Quirien: ’Dat isolement, daar voelen we ons lekker bij. Leiden is vlakbij, maar voor ons gevoel heel ver weg. We komen er ook nauwelijks meer.’ Karel: ‘Ik ben nog één keer op zaterdag in de drukste winkelstraat geweest. Wat een ellende, ik was blij dat ik wegkon.’

Ze moesten wel hun levensstijl aanpassen. ‘Ik plan meer’, vertelt Karel. ‘Ik moet zorgen dat er genoeg benzine is om de boten te laten lopen. De jerrycan gaat regelmatig mee op de fiets. De boten zijn voor ons een primaire levensbehoefte.’ En ze koken anders. ‘Hoogmade is een echt dorp’, vindt Quirien. ‘Het assortiment in de supermarkt is beperkt. Fetakaas? Vergeet het maar. Maar de caissière kent ons en de kinderen bij naam. Ze bewaart je boodschappen voor je, als je iets vergeet.’