Hoerastemming over nieuwste sites


boekbespreking van @Carien Overdijk

verschenen in De Volkskrant op 15 februari 2008

waardering: drie sterren (van vijf)


Don Tapscott en Anthony Williams, Wikinomics /Hoe samenwerking door iedereen met iedereen alles verandert. Business Contact, 336 pagina’s, € 29,50

ISBN13 9789047000563


De komst van de tv zou de radio overbodig maken. En e-mail zou de papierpost verdrijven. Dachten we ooit. Nu voorspelt Don Tapscott, een Canadese managementgoeroe, dat openbare software de hiërarchie tussen mensen zal uitbannen. Zou het? In zijn boek Wikinomics juicht Tapscott over de ‘onstuitbare online macht van gewone mensen’ die deze software teweegbrengt. Bedrijven en overheden moeten radicaal veranderen, want ‘de burger met de onbegrensde mogelijkheden komt eraan.’

Okee, Tapscott (61) weet waarover hij praat. Als directeur van een prominent adviesbureau in Toronto volgt hij internet op de voet, en er staat een sterk oeuvre aan computergerelateerde toekomstvoorspellingen op zijn naam. Wikinomics schreef hij samen met zijn medewerker Anthony Williams.


De auteurs zingen de lof van zogeheten wikisoftware (wiki is Hawaiiaans voor snel) en van opensource-programma’s (zoals Linux), samen ook wel aangeduid als de ’tweede fase’ van internet. Met wiki’s kan iedereen informatie op een site toevoegen of veranderen. Open source-programma’s bieden op internet een vrijplaats voor het knutselen aan electronische producten.

Ook als je je niet laat meeslepen door de hoerastemming van het boek, toont Wikinomics een fascinerende staalkaart van dit type internetgebruik. De ‘eerste fase’ van internet, de digitale snelweg met gescheiden rijbanen voor het verkeer van en naar sites, doet er ouderwets bij aan. Moderne sites zijn geen afzenders meer, maar werkplaatsen en sociale gemeenschappen.


De bekendste wiki is natuurlijk Wikipedia. Deze gratis vraagbaak is, dankzij tienduizenden vrijwilligers, inmiddels de grootste en meest actuele encyclopedie ter wereld, met edities in ruim tweehonderd talen. Ook veilingsite eBay en een deel van handelshuis Amazon drijven op de vrijwillige inbreng van buitenstaanders. Hier bepalen externe kopers en verkopers de kwaliteit van hun transacties, en dankzij het feit dat derden meekijken is het zelfreinigend vermogen redelijk groot. Sabotage en fouten worden vaak snel door gebruikers opgemerkt en ongedaan gemaakt.

De aantrekkingskracht van wikisoftware en opensource-programma’s is de gelijkwaardigheid van de deelnemers, stellen de Wikinomics-auteurs terecht. Mensen participeren vrijwillig en corrigeren elkaar nauwgezet. Ze doen dat bovendien meestal gratis: omwille van hun reputatie, om de sociale contacten of uit liefde voor het onderwerp.

Veel bedrijven profiteren daar al van. Zo laat Lego zijn Mindstormrobots met openbare software door klanten verbeteren, en weet IBM met het vrije Linuxsysteem zijn achterstand op Sun en Microsoft in te lopen. Het Amerikaanse digikanaal Current TV betrekt via wiki’s een kwart van zijn programma’s al gratis, en laat zijn kijkers zelf de programmering bepalen. Flickr (foto’s) en YouTube (video’s) bestaan helemaal van gratis materiaal van derden. De slimme rubriceringen en creatieve diensten eromheen maken ze tot populaire trefpunten.


Tapscott wil in Wikinomics vooral ondernemers wakker schudden: ‘Omarm de nieuwe samenwerking of u zult tenonder gaan,’ waarschuwt hij. Daar zit wat in. Wie wiki- en opensourcesoftware slim benut, kan marktonderzoek, productontwikkeling, marktbewerking en klantenbinding voor een appel en een ei regelen. Ook zijn groepen fans, merkverslaafden of lotgenoten met elkaar te verbinden en gladjes aan nieuwe producten of diensten te koppelen.

Waar Tapscott echter idealistisch rept van burgermacht en het verdwijnen van hiërarchieën, berust de huidige wikisamenwerking toch vooral op centraal gestuurd winstbejag. Wiki’s mogen bureaucratie overbodig maken en contacten versnellen, een koploper als eBay heeft in zijn twaalfjarig bestaan toch juist een grote hiërarchie opgebouwd met ruim twaalfduizend personeelsleden. Ook andere wikibedrijven, zoals Linden Lab (van Second Life, ruim tweehonderd werknemers) en grote delen van Amazon (veertienduizend werknemers), worden doodgewoon centraal geleid en maken hun populariteit slim te gelde.


Buiten de consumentenmarkten doen wiki’s net zo goed harde zaken. Op de site van InnoCentive kunnen bedrijven (als zogeheten seekers) anoniem een prijs uitloven voor de oplossing van een specifiek technisch probleem. De prijsvragen trekken wetenschappers (solvers) uit de hele wereld, en zo is het bijna elke week wel ergens bingo. Van de zoekende bedrijven ontvangt InnoCentive voor zijn bemiddeling forse provisies. Elders, bij Yet2com, veilen grote multinationals hun onbenutte patenten en spekken zo de sitekas. Dit soort activiteiten is lucratief voor alle deelnemers, maar voor de succesvolle site-eigenaren toch het meest. Wikipedia blijft, als stichting zonder winstoogmerk, een uitzondering.


De tweede fase van internet heeft dus vooral de commercie in een stroomversnelling gestort. Klassieke bureaucratische organisaties krijgen het moeilijker, de drempel voor startende bedrijfjes is verlaagd en productontwikkeling gaat nóg sneller verlopen. ‘Gewone mensen’ krijgen toegang tot een schat aan informatie, cultuur en contacten die anders onbereikbaar zou zijn, maar de regie over die uitwisseling ligt bijna volledig in handen van particuliere ondernemingen.

Tapscott en Williams schieten wel raak met hun observaties over de onhoudbaarheid van eigendomsrechten op tekst, beeld en muziek. Ze beschrijven hoe massa’s mensen naar hartelust materiaal downloaden, hacken, herprogrammeren, filmen, remixen of editen. Ook sites zijn doelwit: met zogeheten internetmashups maken programmeurs intelligente verbindingen tussen functies van verschillende sites.


Kortom, de sluizen staan open en niemand krijgt ze nog dicht. Of, met een citaat van een liberaliseringsactivist: ‘bits zijn bedoeld om te kopiëren.’ Verdienen aan intellectueel kapitaal lukt makers en uitgevers straks alleen nog met bijzondere presentaties van hun materiaal, of met bijzondere diensten eromheen.

In de commercie gooit het nieuwe internet dus veel overhoop. In wetenschap, onderwijs en politiek gaat het minder snel. De voorbeelden uit Wikinomics in deze sectoren blijken bij nadere beschouwing niet zo imposant. Zo is er een ‘neutraal’ leerboek-in-aanbouw over de wereldgeschiedenis, een Californisch overheidsexperiment op internet. Maar dat project loopt al bijna drie jaar, en anders dan bij Wikipedia zijn er pas drie schamele hoofdstukken klaar. De site arXiv is een ander voorbeeld. Betawetenschappers hebben hem gevuld met tientallen duizenden artikelen. Maar hun nieuwste, concurrerende vindingen reserveren ze toch voor de betaalde pers. Belangeloos kennis op internet delen lukt blijkbaar vooral wanneer die kennis toch al ergens op straat ligt.

Natuurlijk biedt ook dát materiaal al nieuwe kansen. Wiki’s kennen geen landsgrenzen, en wetenschappers uit arme landen slepen opvallend vaak het royale prijzengeld op InnoCentive in de wacht. Maar de academische wereld was ook zonder wiki’s al behoorlijk grenzenloos.


‘Eindelijk kan een tiener uit China, India, Brazilië of Oost-Europa in praktijk brengen waar zijn ouders slechts van konden dromen, namelijk op gelijkwaardig niveau deelnemen in de wereldeconomie’, zo hyperen de auteurs in hun inleiding.

Een fantastisch vergezicht. Maar de meeste tieners én volwassenen buiten het rijke westen staan voorlopig nog zwaar op achterstand. De wikisites zijn westers in taal en omgangsvormen, en de veronderstelde voorkennis is immens. En stel, je maakt je dat als Chinees, Burmees of Afrikaan allemaal eigen. Dan blokkeert je regering zomaar opeens een stuk van internet. Of de stroom valt uit.