Boekbespreking
Zo ’s ochtends tegen vieren, studentenleven in Nederland. Scriptum € 16,60
ISBN 90 5594 4777
Verschenen in De Volkskrant 3 november 2006
Copyright Carien Overdijk
Slempen, zooien, paraderen en protesteren. Die studentenactiviteiten domineren Zo ’s ochtends tegen vieren, een thematische fotoselectie uit het onvolprezen Haarlemse Spaarnestad Archief. Er zijn lallende Delftenaren en Nijmegenaren, marcherende ‘studentenweerbaarheden’, en een hele serie actieshots van de Maagdenhuisbezetting in 1969.
De tweehonderd zwart-witfoto’s bieden ‘een terugblik op het studentenleven in de twintigste eeuw,’ volgens de introductie, die profetisch besluit met de aanbeveling dat ook zonder de commentaren bij ieder hoofdstuk ‘iedereen met veel plezier zal grasduinen in deze prachtige collectie.’
Die voorspelling klopt. Bijna elke foto, vaak haarscherp en tjokvol studenten, vertelt een verhaal. De oudste, van 1909, toont ernstige, kortgeschoren mannen in driedelig, voor de gelegenheid samengeperst in een paar collegebanken. Hun besnorde hoogleraar sterrenkunde staat voor hen als een veldheer voor zijn troepen.
Ook de straatparade van Amsterdamse meisjesgroenen uit 1963 intrigeert. Met werkmanspetten op en in hobbezakken sjokken ze voorbij. Naam, leeftijd en studierichting staan in koeieletters op een lei om hun nek. Maar bij de meesten verraadt een ironische glimlach dat ze welwillend en zonder trauma’s het spelletje meespelen.
De crisis- en oorlogstijd blijven onzichtbaar. De schaarse beelden uit de periode 1930 tot 1945 tonen niets van armoede, studentenverzet, sluitende universiteiten en hun ondergrondse voortzetting. Dat is het nadeel wanneer je uit één archief put. Ook het kamerleven blijft onderbelicht: geen hospita’s, geen fusiehokken.
grappig
De begeleidende teksten, afgedrukt bij thema’s als ‘colleges’, ‘wonen’ en ‘verenigingen’, maken het boek onbedoeld grappiger. Belegen cliché’s (‘studeren is leuk en nuttig’, ‘de studententijd is de mooiste periode van je leven’) en archaïsch taalgebruik (‘hij geraakte in een slootje’) doen vermoeden dat de commentator van het Polygoon-journaal is herrezen.
Dat deze auteur in kleine lettertjes wegduikt op de achterste pagina, is maar goed ook. De context die hij zegt te willen bieden, is fragmentarisch en onduidelijk. Vergeten fenomenen worden soms toegelicht, zoals de vooroorlogse maskerades, maar vaak ook niet. Het woord hogeschool komt steeds terug, zonder uitleg dat het de voormalige monodisciplinaire universiteiten betreft. De fotovolgorde, niet altijd chronologisch, is verwarrend. Bovendien ontbreekt een inhoudsopgave.
De collectie verdient beter, want er zitten pareltjes tussen. Zoals dat panorama van een lustrumdiner van de Utrechtste UVSV uit 1919. Zeker honderd kuis ingepakte vrouwen poseren stokstijf voor een kennelijk lange sluitertijd. Op weer andere platen kuieren hun mannelijke evenknieën langs, pijplurkend en getooid met hoge hoed.
Studenten manifesteren zich tot ver voorbij de helft van de vorige eeuw als deftige, ouwelijke burgers, zelfs als ze feesten. Pas als de universiteit zich opent voor de arbeidersjeugd worden ze zichtbaar jonger. Dan houden alleen de studentencorpora, inmiddels een minderheid, nog vast aan een elitair decorum.
Maar kijk! In 1965 hokken de eerste Amsterdamse studentkrakers nog wel in jasje-dasje bijeen bij een olielamp. Pas later neemt langharig tuig in coltrui het over. Waarna, bij de massa’s in grote collegezalen, ook het spijkerjasje zijn intrede doet.