Jantje Beton en het netwerk Child Friendly Cities pleiten voor ruigere buitenspeelruimte voor kinderen. ‘Alles is nu gecertificeerd en afgegrendeld. Gemeenten moeten meer durven.’
verschenen in Binnenlands Bestuur op 11 april 2008
copyright Carien Overdijk
Een discussie over speelruimte op de BouwRai maakte vorige week zichtbaar dat aannemers en projectontwikkelaars niet in dit onderwerp geïnteresseerd zijn. De bouwmanagers, volop aanwezig bij eerdere discussies over duurzaam en sociaal bouwen, verlieten collectief de nieuwsstudio toen het onderwerp speelruimte aan bod kwam.
‘Speelruimte is vaak het sluitstuk van een bouwproject’, knikt discussiedeelnemer Jaap Verkroost, wethouder sport en welzijn in Maarssen na afloop. ‘Ik vraag altijd of projectontwikkelaars speelruimte willen opnemen in hun programma van eisen, maar dat ligt moeilijk. Oók bij herontwikkeling, want een plek waar je geen huizen terugbouwt, levert geen geld op.’ Verkroost is lid van de Nederlandse afdeling van het belangennetwerk Child Friendly Cities. ‘We zitten er met ongeveer twintig wethouders in. Ook van grotere steden, zoals Amsterdam en Delft. En sinds kort is er ook een ambtelijk netwerk.’
minder ruimte, minder buiten
Speelruimte voor kinderen staat al jaren sterk onder druk, bevestigt ook Stichting Jantje Beton bij monde van programmahoofd Froukje Hajer. ‘Helaas zijn er geen cijfers van. Het CBS registreert wel bodemgebruik, maar differentieert niet naar speelruimte. En de meeste gemeenten registreren alleen de wettelijk verplichte veiligheid van speelplaatsen.’
Wél is uit onderzoek bekend dat kinderen steeds minder buiten spelen. Opvallend is dat slechts een op de vijf ouders dit toeschrijft aan gebrek aan speelruimte of aan verkeersdrukte, zo bleek vorige maand uit een TNS/Nipo-enquête. Volgens ruim de helft van de ouders zijn computer en tv de boosdoeners. Een op de vijf ouders verwisselt kip en ei door ‘een gebrek aan speelmaatjes’ tot oorzaak te bestempelen, en een op de tien verklaart het binnenzitten uit een slechte sfeer tussen de buurtkinderen onderling.
Zeker is, dat inbreiding de speelruimte in steden automatisch reduceert. En op uitleglocaties is er in ieder geval geen garantie voor voldoende speelruimte. Een initiatiefwet van de SP om bij nieuwbouw een minimum aan speelruimte op buurtniveau te verplichten, resulteerde in 2006 slechts in een aanbeveling van minister Dekker.
‘We moeten ervoor waken dat er nóg meer openbare ruimte geprivatiseerd wordt’, aldus Hajer van Jantje Beton. ‘Dan heeft een bepaalde groep kinderen een zwembad en een trampoline in de achtertuin, en de rest heeft niks, net als in Amerika.’
Jantje Beton pleit voor minimaal drie procent speelplaatsen op buurtniveau en daarnaast voor aanpassing van de bebouwde ruimte aan de speelbehoefte voor verschillende leeftijdsgroepen. ‘Een stoep moet bijvoorbeeld breed genoeg zijn. Om erop te kunnen spelen, maar ook om te leren fietsen.’
veiligheid
Op Europees niveau staan de extreme veiligheidseisen aan speelplaatsen ter discussie. Een werkgroep bereidt een herziening voor. ‘Het motto van het conceptrapport is: ‘elk kind heeft recht op een gebroken arm’, zo verklapt werkgroeplid Ronald van der Velden, productmanager bij groenadviesbureau Donker. De Maarssense wethouder Verkroost is het daarmee eens: ‘Alles is nu gecertificeerd en vaak ook nog afgegrendeld en onder toezicht gesteld. Dat doodt de creativiteit. Gemeenten moeten meer durven.’
Maarssen wacht niet op de nieuwe regels. ‘Wij gaan in Maarssen samen met kinderen een avontuurlijk speelterrein ontwikkelen.’
En als daar iets fout gaat? ‘Als wij een boomstam over een sloot leggen en een kind haalt een nat pak,’vindt Verkroost, ’dan moet een ouder niet komen klagen dat wij die stam weg moeten halen. Ouders hebben ook een verantwoordelijkheid. Als ze ons aanspreken op het creëren van onveilige situaties, zullen we ze vragen hoe ze hun kinderen op vakantie in Frankrijk dan begeleiden.’
Maarssen wil kinderen meer spanning en ontdekkingsruimte bieden dan met de gewone speeltoestellen, die vaak maar op één manier te gebruiken zijn. Verkroost: ‘We zullen goed kijken wat wij nog veilig genoeg vinden. En dan zullen we gemeentebreed communiceren dat ouders primair verantwoordelijk zijn. En er komt wel een bord met ‘spelen op eigen risico’.’
76 miljoen euro voor bewegen
Met een Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NSAB) wil staatssecretaris Bussemaker inerte en te dikke burgers in beweging krijgen. Het departement VWS reserveert daarvoor 38 miljoen euro voor de periode 2008-2012. Gemeenten kunnen plannen indienen en moeten op vijftig-procentsbasis meefinancieren.
Het geld is bestemd voor sociale en pedagogische stimulering, zoals lesmethodes over bewegen, buitenschoolse sport- en spelprogramma’s en activeringsprogramma’s voor ouderen. Ook een training van welzijnswerkers om kinderen te prikkelen tot buiten spelen komt in aanmerking. Daarnaast stelt VWS eigen NSAB-adviseurs beschikbaar voor gemeenten.
De aanleg van een sport- of speelaccommodatie valt niet onder het NSAB. In de ‘kaderstellende afspraken’ verwijst de staatssecretaris echter wel nadrukkelijk naar het belang van een ‘beweegvriendelijke omgeving’. Daarbij doet ze een beroep op de woningcorporaties om gemeenten terzijde te staan. Een bijlage bij het plan bevat een uitvoerige lijst voorbeelden van fysieke bewegingsimpulsen. Naast woning- en buurtontwerpen die verleiden tot (trap)lopen en fietsen wordt de aanleg van speelruimte in diverse vormen genoemd.