Beleidsmakers moeten zich niet blindstaren op de problemen met werkloze en ongeschoolde migranten. De autochtone middenklasse verliest straks zijn economische zekerheden en wordt een risicofactor voor het sociale klimaat in grote steden. Een nieuwe boodschap van de prominente Amerikaanse socioloog Richard Sennett, gastspreker bij de Stichting Megacities in Amsterdam.
verschenen in Binnenlands Bestuur, 5 december 2003
copyright Carien Overdijk
De befaamde socioloog Richard Sennett had vorige week een verrassing voor de planologen en projectontwikkelaars die zich in Amsterdam hadden verzameld voor de jaarlijkse lezing van de Stichting Megacities. In het gehoor bevond zich ook een handvol gemeentelijke directeuren uit de G4. Iedereen verwachtte dat de socioloog zou voortbouwen op zijn jongste boek Respect. Daarin waarschuwt hij voor de toenemende onverschilligheid van de rijke elite voor de armen en sociaal zwakken in de grote steden.
Maar Sennett, die zijn verhaal niet vooraf wilde inleveren om vrijuit te kunnen spreken, kwam met een nieuwe invalshoek. De Amerikaan, die tegenwoordig als hoogleraar verbonden is aan de London School of Economics, vroeg aandacht voor de bedreigde positie van de stedelijke autochtone middenklasse.
De socioloog sprak vanuit zijn ervaring met het neoliberalisme in Engeland en de Verenigde Staten, een politiek waar het Europese continent pas sinds kort mee te maken heeft. ‘Het kapitalisme maakt een radicale verandering door. Langdurige dienstverbanden en hiërarchieën verdwijnen, waardoor werknemers niet alleen macht verliezen aan directies, maar ook hun beroepsidentiteit kwijtraken, en hun saamhorigheidsgevoel.’ In zijn voorlaatste boek De flexibele mens (2000) heeft Sennett dit proces in een Amerikaanse context beschreven.
Bij Megacities in Amsterdam presenteerde Sennett de nieuwe observatie dat dit losse, onverschillige arbeidsklimaat uitzonderlijk gunstig is voor migranten. ‘En dan bedoel ik migranten die even goed gekwalificeerd zijn als de autochtone middenklasse. Medewerkers van call-centers, programmeurs, maar ook ambachtslieden als loodgieters en electriciens. Ze zijn bereid om hard te werken, stellen weinig eisen en zijn geen lid van een vakbond. Ze vragen niet om een carrière, ze voeren taken uit.’
In Nederland denken beleidsmakers bij het woord migrant nog teveel aan kansarme Marokkanen en Antillianen, waarschuwt Sennett. ‘Maar in 2006 zal de nieuwe Europese arbeidswet oost-Europeanen hier toelaten, en dan wordt het begrip etniciteit veel complexer. Je krijgt steden met zeer gedifferentieerde populaties, groepen die elkaar op de arbeidsmarkt keihard beconcurreren terwijl ze totaal onverschillig tegenover elkaar staan.’
Sennett ziet als gevolg daarvan niet alleen een grotere kloof tussen arm en rijk, maar ook een bedreiging voor de autochtone middenklasse. ‘De armste immigranten zullen – geholpen door subsidies - snel opklimmen omdat ze bereid zijn om flexibel te werken, voor lage lonen en zonder baangaranties. De losers zitten in de middenklasse. In New York en Londen zien we dat nu al. De rijksten en de armsten zijn erop vooruit gegaan. Kijk maar naar de levensverwachting, kijk naar de financiering van onderwijs en gezondheidszorg.’
De socioloog verwacht ook in Nederland spanningen tussen de maatschappelijke groepen die elkaar in de lagere segmenten van de arbeidsmarkt gaan beconcurreren. ‘De middenklasse valt tussen de wal en het schip, grijpt naast alle subsidies. Als steden daar niets aan doen, zullen deze autochtonen hun neergang wreken op de nieuwkomers die hen dreigen te vervangen en brodeloos maken.’
De traditionele wijk- of buurtgerichte aanpak van sociale problemen is heilloos, denkt Sennett. ‘Stedelingen bouwen hun sociale leven niet meer op in hun buurt. Ze slapen er, maar ze hebben niets met hun buren, die tot andere sociale groepen behoren.’ Ook valt er weinig te verwachten van het gangbare jeugd- en gezinswerk. ‘Het familieleven is drastisch veranderd. Vrouwen krijgen later kinderen, de traditionele sexerollen verdwijnen en er zijn in de grote steden steeds meer alleenstaanden.’
Hoe creëer je dan samenhang in een stad met zoveel diversiteit? Sennett vraagt het zich af, een pasklaar antwoord heeft hij niet. Wel pleit hij voor een verschuiving van buurtgericht welzijnswerk naar andere vormen van gemeenschapsvorming. ‘Mensen voelen meer binding met hun werkplek dan met hun buurt. Je zou misschien meer sociale voorzieningen moeten creëren rond bedrijven.’
Maar had de hoogleraar niet zelf moderne bedrijven afgeschilderd als doorgangshuizen die werknemers geen houvast meer bieden? Die tegenwerping vanuit de zaal accepteert hij. ‘Het wordt inderdaad belangrijk om mensen langere tijd in een werkomgeving vast te houden, al bewegen zij dan misschien van de ene opdracht of werkgever naar de andere. Dat kan een beleidsdoel zijn.’