boekbespreking
Joep Schrijvers, Het wilde vlees/De tomtomisering van de passionele mens.
Scriptum 207 pagina’s € 19,95
ISBN 90 55 94 4831
verschenen in De Volkskrant op 6 oktober 2006
copyright Carien Overdijk
De wereld stoomt op naar één groot, totalitair regime: dat van de geglobaliseerde economie. Alle mensen zijn radertjes in strak afgestelde logistieke ketens die de wereld omspannen. Die ketens reguleren onze emoties en standaardiseren ons gedrag om de voortstuwing van goederen en diensten alsmaar efficiënter te maken. Het totalitaire regime dringt zelfs in onze lichamen door, elektronisch en chemisch. We zijn al veel meer cyborg dan we zelf doorhebben.
Dit is de nieuwe, griezelige boodschap van bestsellerschrijver, columnist en managementtrainer Joep Schrijvers. Zijn betoog Het wilde vlees - zelf noemt hij het een ‘ethiekboek’ - verschijnt vandaag. Bij de lading en reikwijdte van dit boek verbleken zijn sarcastische Hoe word ik een rat (2002, over gecorrumpeerde managersmacht) en het geestige tussendoortje Het maandagmorgengevoel (2004, over de moderne loonslaaf).
In Het wilde vlees werpt Schrijvers zijn narrenmasker af. Hij schetst een zwart perspectief voor het wereldwijde menselijke bestaan. Een hele sprong voor een managementauteur, maar die overleeft hij. Het wilde vlees – de titel verwijst naar het te temmen menselijk lichaam - is vaardig en overtuigend geschreven. De vileine grappen ontbreken, maar er zijn weer echte Schrijvers-neologismen en relevante uitstapjes naar geschiedenis, filosofie en kunst. Ook verrast de auteur met rake observaties, zoals wanneer hij wijst op het westerse lifestyle-gehalte van de djellaba.
flexwerkers
Het boek bouwt voort op het cultuurpessimisme van de Amerikaanse socioloog Richard Sennett en een handvol Europese filosofen en sociologen. Zij waarschuwen al jaren voor de onbeteugelde hoogtechnologische markteconomie, die mensen tot onmondige en onverantwoordelijke flexwerkers reduceert.
Schrijvers beschrijft hoe het logistieke efficiëncydenken niet alleen fysieke productieprocessen beheerst, maar ook de dienstverlening, het onderwijs en de zorg. Alles om ons heen wordt gestandaardiseerd, gepland en gemonitord.
De ‘doorgefokte, instrumentele homo economicus’, in Schrijvers’ woorden, werkt daar hard aan mee. ‘We bezien ons privéleven ook steeds vaker vanuit efficiëntie en nut. De belangrijke vragen uit de supply chain komen ons denken binnen (…). Hoe kan ik processen opdelen, wat besteed ik uit en wat doe ik zelf? (…) Wie is niet geïrriteerd als hij aan de telefoon (…) moet wachten? Het heet al dat je dan onbetaald werk doet.’
‘Driehonderd miljard kilo menselijk vlees’, zegt de auteur, ‘maakt volledig deel uit van de vele, vaak wereldomspannende, fysieke en virtuele netwerken.’ En om dat vlees zo voorspelbaar en nuttig mogelijk te maken, streven de systemen ernaar, de menselijke emotie te beheersen, ‘op emonorm te brengen.’ Want in tegenstelling tot transhumanen en cyborgs uit de science fiction is Schrijvers’ neo-logistieke mens niet emotieloos.
De moderne economie profiteert juist van emoties. Het wilde vlees onderscheidt drie rendabele ‘geluksmachines’: zintuiglijke bevrediging, lifestyletrends voor de persoonlijke erkenning en het groepsgevoel, en, ultiem bevredigend, ‘persoonlijke ontwikkelingsprojecten.’
Vooral de laatste categorie jaagt de auteur in de gordijnen, allergisch als hij is voor de coachmanie van het moderne management en parallelle new-age trends. ‘Ik wil nog een stap zetten’, ‘ik ga mijn spirituele intelligentie ontwikkelen’, echoot hij honend. Het ‘persoonlijk ontwikkelingsplan’, de verplichte pop, is een speciaal doelwit. ‘Zie je dan niet’, aldus de criticus, ‘dat je hiermee het businessmodel van de logistieke orde legt op iets dat er ongeschikt voor is: je persoonlijke existentie?’
Het gaat in onze economie niet om persoonlijke ontwikkeling, stelt de auteur terecht vast. ‘De bedoeling is dat je rusteloos bent en blijft verlangen naar de volgende fase. Dat is goed voor consumptieve processen en werkprocessen (…) Zelfs goede werken voor de samenleving mag je niet meer doen omwille van de goede werken, maar horen thuis in een uitgebalanceerd persoonlijk plan.’
Als waarschuwing tegen het doorgeschoten functionalisme en consumentisme is dit boek een must. Kinderen en zieke ouders glijden af tot ‘projecten’, het leven zelf tot calorie- en vitamineverwerking met een afgemeten dosis cultuur en sportschool. Zelfs ons taalgebruik weerspiegelt het productiedenken: ‘sta je al in de vakantiestand?’ of ‘ik zit in de acceptatiefase.’
machtscentrum
Schrijvers’ dreiging met totalitarisme is echter onzin. Onze dichtbevolkte, hoogontwikkelde en cultureel heterogene maatschappij kan niet zonder systemen en regels. Zorgdossiers, leerlingvolgsystemen, sofinummers en identificatieplicht zijn de logische en noodzakelijke opvolgers van consultatiebureaus, leerplicht, uitkeringen en emancipatie.
Maar iedereen kan in het vrije westen de regels veranderen, en dat gebeurt ook. Kunstenaars, idealisten, politici en ondernemers morrelen constant aan de systemen. Hun initiatieven worden soms zelf weer een systeem, of het nu The Body Shop is of het Iederwijs-onderwijs, burgerwachten of biologische groentenabonnementen.
Een dictatuur heeft een machtscentrum, ons neo-logistieke imperium niet. Schrijvers erkent dat wel, maar acht het een gradueel verschil. Hij toont zich een klassiek romanticus, die ruimte opeist voor de ongebreidelde emotie, voor het zalig nietsdoen, voor een onvoorspelbaar en eigenzinnig leven.
De ruimte voor ouderwetse vrijbuiters krimpt inderdaad snel op deze aardbol. Dat is de prijs van de welvaart. Maar wie wil terug naar het korte, pijnlijke en onzekere negentiende-eeuwse bestaan? En biedt de technocratie geen nieuwe ruimte? Schrijvers kwalificeert het moderne leven als gefragmenteerd, maar velen ervaren hun parallelle levens – privé, beroepsmatig en op internet - als een verrijking. Het experimenteren met identiteit en levensstijl kan ook romantisch zijn, en is zeker niet des cyborgs.
Als er één ethisch probleem is met wereldwijde logistieke ketens, dan is het de slavernij en mishandeling van de mensen en dieren die vooraan de ketens en buiten ons zicht als productiemiddel fungeren. Vreemd genoeg maakt de auteur zich daar in dit boek niet zo druk om.