Wil Thijssen, ’t Is mooi geweest/Uitstervende beroepen. Uitgeverij Atlas, 349 pagina’s, € 29,00 ISBN 978 90 450 1349 7
Waardering: vier sterren (van vijf)
verschenen in De Volkskrant 10 oktober 2008
copyright Carien Overdijk
Ze zijn de jongsten niet meer, en de laatsten in hun soort. Ze fabriceren iets met hun handen (barometers, sigaren, klompen), maken natuurproducten te gelde (honing, riet, ansjovis), hebben een verwerkingsbedrijfje (als molenaar of paardenslager), verlenen diensten (als koster, brug- en vuurtorenwachter) of drijven een handeltje (als kolenboer, parlevinker of textielagent).
Volkskrant-journalist Wil Thijssen keek ieder van deze mohikanen dagenlang op hun vingers en tekende op wat ze deden en zeiden. Het resultaat is ’t Is mooi geweest, een kloeke verzameling reportages over uitstervende beroepen.
Elk beroep vult zo’n twintig pagina’s. Thijssen beschrijft haar objecten zo minutieus, dat je je aanvankelijk afvraagt of ze wel het juiste medium te pakken heeft. Een filmcamera kan beter overweg met al die details over uitdossingen en gereedschappen, en al helemaal met ‘wippende knieeën’ of de boodschap dat iemand ‘geregeld zijn mouw een stukje opstroopt om op zijn horloge te kijken.’
Het stapvoetse proza heeft echter een wonderlijk stilistisch effect. Niet in de taal zelf, want de zinnen zijn ongepolijst. Maar de micro-observaties dwingen de lezer in het ritme en de levenshouding van een verdwijnend menstype. De talrijke alledaagse dialoogjes, de kleine handelingen maken voelbaar hoe iemand zich onverstoorbaar jarenlang kan toeleggen op één tastbaar vak. En lange werkdagen en onzekere inkomsten voor lief neemt. En nooit wil stoppen.
toewijding
Zo wordt – trager en indringender dan via film - het existentiële geluk ervaarbaar van mensen die zich in een hechte sociale omgeving nuttig kunnen maken. Zelf relativeren ze hun werk (de ansjovisvisser: ‘slapen, varen, slapen, weer varen, dat is het eigenlijk’, de brugwachter: ‘de hele dag een beetje slap lullen’), maar hun toewijding en meesterschap is onmiskenbaar. De imker ‘zet een gevallen bijtje van amper vijf minuten oud voorzichtig terug in de kast’, de brugwachter toont zich tevens gids, loods, praatpaal en dorpsspil.
Er is berekening (nutteloze darren mogen dood), gewiekstheid (klanten van een failliete collega zijn mooi meegenomen), ontwikkeling (de slager wil de paarden niet meer zelf afschieten) en gelatenheid (over de teloorgang). Veelsoortig vakjargon en namen van oude bedrijfjes en plaatsen kleuren de scènes verder in.
De veertien staan slechts model. Elke reportage zoemt ook steevast uit naar de industrieën en maatschappelijke trends die een hele bedrijfstak of een keten van ambachten verdrukken. En daarmee a way of life, zoals de parlevinker zegt.
Een markant kleurenportret van Raymond Rutting leidt ieder verhaal in. Verder zijn er alleen archieffoto’s en familiekiekjes in zwart-wit. Toch kiert de 21e eeuw door de teksten heen. De kolenboer praat over de energiecrisis, de vuurtorenwachter hanteert hypermoderne apparatuur. En de imker heeft al jaren hulp van de gevluchte Koerd Hassan.