Oeroud landschap erkend in West-Friesland

De Gouw profiteert op het nippertje van nieuw cultuurhistorisch rijksbeleid


verschenen in Terravisie, 2000

copyright Carien Overdijk


Wie van Amsterdam over de A7 naar Leeuwarden raast zal ter hoogte van Wognum en Abbekerk niets bijzonders opvallen. De landerijen links en rechts van de snelweg ogen als een gelijksoortige aaneenschakeling van weilanden, sloten en dorpjes: het typische Westfriese landschap. Toch is er verschil. Links van de snelweg, in het gebied De Gouw, zijn de maaivelden niet zo egaal als ter rechterzijde. En af en toe kronkelt er een stroompje in plaats van een recht kanaal.

Het gebied De Gouw, 7000 hectare groot, herbergt nog landschappen die op natuurlijke wijze zijn ontstaan. Er zijn hooggelegen plateau’s waar oude rivierbeddingen zich naar de oppervlakte hebben gewerkt, er zijn kronkelige stroompjes die duiden op vroegere wadden of riviertjes. En ten oosten van het dorpje Hoogwoud tonen grillige bobbels en kraters de loop van een oud krekenstelsel.

Maar er is meer. De cultuurhistorie van het gebied omvat ook bijzondere archeologische waarden. Op maar liefst 37 terreinen in en rond De Gouw zijn archeologische vondsten gedaan. Er zijn zeldzame en bijzondere sporen gevonden van oude nederzettingen: aardewerk, botten en zaden uit de nieuwe steentijd, van 2900 tot 2000 voor Christus. Archeologen haalden zelfs twee complete skeletten uit de grond, bij Sijbekarspel en bij Hoogwoud. Hun tweede bestaan als onderzoeksobject leiden ze onder de namen Mies, ook wel ‘het woiffie van Sijbekarspel’, en Cees.

De gronden van De Gouw hebben dus een verhaal te vertellen. Het hoeft niet te verrassen dat De Gouw is opgenomen in de gebiedenlijst van de cultuurhistorische nota Belvedere, die het ministerie van OCW in juni vorig jaar vaststelde. Daarmee heeft het rijk aangegeven, de archeologische en landschappelijke waarden van De Gouw te willen beschermen.

Belvedere kwam voor De Gouw aan de late kant. Het gebied is al vanaf 1988 in ontwikkeling door middel van een ruilverkaveling. Deze landinrichting is in gang gezet om de belangen van boeren, inwoners en recreanten te dienen, en is nog in volle gang. Gelukkig was er voor de aanvang van deze ruilverkaveling ook al archeologisch onderzoek verricht en zijn een aantal locaties met bijzondere landschappelijke of archeologische eigenschappen al aangegeven op de plankaart van 1988.

‘We hebben vanaf het begin gezegd: daar houden we rekening mee in de ruilverkaveling’, aldus projectleider Cor Spijker van de Dienst Landelijk Gebied. ‘De landinrichtingscommissie vindt die terreintjes ook waardevol. Sommige stroompjes, kreekruggen en kleiputten zijn voor iedereen waarneembaar vanaf de weg of het fietspad. Die wil je niet kwijt.’

De meeste agrariërs in het gebied erkennen het belang van de cultuurhistorische aspecten. Vooral de landschappelijke historie spreekt hen aan. ‘Die bollingen in het maaiveld zijn waardevol’, zegt veehouder en commissielid Cor van Dolder. ‘Zo heeft de zee het neergelegd. Het land is overspoeld met zandruggen die zijn blijven liggen. Het zegt iets over de vorming van het gebied.’

De archeologische kwaliteiten vragen wat meer fantasie, maar ook daar bestaat in de streek wel interesse voor. Voor de bescherming ervan moeten de landinrichters rekening houden met de stand van het grondwater. De organische resten in De Gouw zijn intact gebleven dankzij een hoog waterpeil, en dat moet dus zo blijven ‘Vanwege de waterpeilbeheersing werken we bloksgewijs’, vertelt Spijker. ‘We dammen een gebied in en werken daar alles af. We zijn nu met het derde blok bezig. Organisatorisch is dat lastiger, maar we hebben het ervoor over. Er is inmiddels ruim 2500 hectare ontwikkeld.’ Tot nu toe is alles op vrijwillige basis tot stand gebracht. ‘Uniek’, vindt Lou Beerenpoot, plaatselijk agrariër en lid van de landinrichtingscommissie.

Toch hebben de bodemschatten van De Gouw ook negatieve consequenties voor de betrokken agrariërs. Zij moeten beloven om op bepaalde plaatsen niet te graven of te ploegen, om de aanwezige oudheidkundige elementen te beschermen. Omdat het grondwaterpeil niet omlaag mag, worden ze nog verder beperkt in hun bedrijfsvoering. En de rafelzoom waarmee een kronkelende kreek soms een stuk grond omringt, belemmert de eigenaar bij de machinale bewerking ervan. Hoewel de meerderheid van de grondeigenaren respect heeft voor die instructies, komt het ook voor dat iemand ze aan zijn laars lapt. ‘De nachten zijn lang hier, hoor’, zegt Spijker met veelbetekenende blik. ‘En niemand kan een boer tegenhouden wanneer hij, vooruitlopend op een nieuwe verordening, snel in een weekend zijn land omploegt.’

De cultuurhistorie blijkt een kwetsbaar bezit. Het rijk kan de bescherming ervan afkondigen, maar heeft geen wettelijke middelen om overtreders van de bijbehorende regels aan te pakken. Gemeenten doen beloften, maar zijn niet verplicht om hun bestemmingsplannen te wijzigen. Uit vrees voor planschade-claims doen ze dat soms ook liever niet. En voor controle op de naleving van alle goede intenties hebben de betrokken rijksdiensten te weinig mankracht. Alles komt dus aan op de welwillendheid van de lokale overheden en de grondeigenaren.

Waar Spijker als secretaris van de landinrichtingscommissie tegenaan loopt, is dat de rijksoverheid wel middelen beschikbaar stelt voor natuurbeheer, maar niet voor de bescherming van archeologische monumenten en aardwetenschappelijke waarden. ‘In het programma Landschapsbeheer staan wel de knotwilgen, de hagen en de paddenpoelen, maar kreekruggen weer niet. Een aantal aardwetenschappelijke gebiedjes hebben we onder de reservaten weten te duwen, die eigenlijk bedoeld zijn om weidevogels en weideplanten te beschermen. Zo is een stukje grond langs de A7 nu met subsidie ondergebracht bij het Noord-Hollands Landschap. Maar die organisatie krijgt binnenkort resultaatbeloning, en dan valt er met zo’n gebied weinig te verdienen.’

Hoop is er echter ook. De tijd zit mee. Boeren hebben voor hun bedrijfsvoering steeds minder grond nodig, waardoor er meer ruimte overblijft voor landschapsbeheer en monumentenbescherming. En bij publiek en overheid groeit de belangstelling voor cultuurhistorie.

Zo is De Gouw vorig jaar opgenomen in het Speerpuntprogramma Wetlands van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). De dienst was al langer bij het project betrokken als adviseur en toezichthouder, maar nu is er ook capaciteit om de archeologische waarden nog beter in kaart te brengen. Desgevraagd laat de ROB weten, tevreden te zijn over de huidige samenwerking met de landinrichtingscommissie van De Gouw.

‘Wij houden ze ook op de hoogte van wat wij doen’, vertelt commissielid Beerenpoot. Om vervolgens te constateren dat de ROB zich wel weinig vertoont. Spijker weerlegt dat. ‘Ze komen altijd kijken als we met een nieuw stuk werk beginnen.’

‘Maar ik zie ze nooit in het gebied’, houdt Beerenpoot vol. Spijker haalt een luchtfoto tevoorschijn, waarop duidelijk zichtbaar is dat er gegraven is op een stuk grond met archeologische waarde. ‘Die kreeg ik laatst van ze, ze wilden weten hoe het zat. Wij zien hen misschien niet, maar zij ons wel. Vanuit de helicopter, bijvoorbeeld.’